Column Beurskens: Hiernamaals

Een vriend van mij was een beetje bedroefd, omdat volgens Gerard Reve het hiernamaals niet bestond ... een tweede voorstelling is er niet. Het was een vroege uitspraak uit de zestiger jaren. Gerard was niet vies van provoceren, maar waarschijnlijk zit hier toch zijn neiging tot iconoclastiek achter. Over de grote mysteries van het leven kun je niet schrijven met de hulp van dogma’ s en leerstelligheden. Soms is het nodig de dogma’s aan scherven te slaan in de hoop, dat uit de scherven de waarheid beter oplicht. Immers, als wij zeggen dat we in de hemel geloven en hem vervolgens ook nog gaan beschrijven ... voor eeuwig van gouden bordjes eten ... , dan overtuigt dat niemand. Het deprimeert zelfs. Het is niet veel beter dan ... er is niets na de dood.
Je kunt op verschillende manieren de waarheid aan scherven slaan om haar beter te zien. Gerard Reve deed dat met provocatie en humor. De poststructuralistische taalfilosoof doet het met zijn zoektocht naar de betekenis van taal. De Boeddhist doet het met het opheffen van paren van tegenstellingen. De mens mag het mysterie niet aanraken, dat is het eten van de verkeerde boom in het paradijs, zoals Adam en Eva deden.
Wat de taalfilosoof en Gerard Reve proberen te doen is deze ongewenste betasting ongedaan maken. En dat zijn in feite heel gelovige procedures. Immers, het in leerstelligheden proberen te vangen van het mysterie is evengoed een soort aantasting met als gevolg dat niemand er meer door wordt bekeerd, hoe waar het ook is wat je zegt. Veel dogmatiek tussen de gelovige en de heilige tekst verduistert de blik van de gelovige. Van de andere kant zijn dogma’s over mysteries behalve waar in feite ook even zo vele thematiseringen. En het is wel goed dat de mens met de neus op de knopen van het bestaan wordt gedrukt, voordat hij erdoor wordt overvallen.
Onze onsterfelijkheid, de onsterfelijkheid van de ziel, is ook een mysterie. Dat zien we, als we wat verschillende vormen van dogmatiek naast elkaar leggen, ervan uitgaande, dat ze hetzelfde willen zeggen en ook feitelijk hetzelfde zeggen. Voor de Hindoe is het in eeuwigheid moeten terugkeren naar het leven, de reïncarnatie, hetzelfde als de hel. Bevrijd worden uit die eeuwige tredmolen, is de hemel, het nirvana. Voor ons is het afscheid van het leven de hel en het eeuwige leven de hemel. Precies omgekeerd dus. Oneindig en eindig staan recht tegenover elkaar in beide religie’s, maar hebben een precies tegenovergestelde lading.
Hieruit blijkt, dat beide waarheden geen recht doen aan het mysterie, dat immers niet onder woorden gebracht kan worden. De onsterfelijkheid, de hemel, de eeuwigheid, overstijgen simpele menselijke begrippen, die wortelen in ruimte en tijd. De Boeddhist zegt dan dat je, als je de onsterfelijkheid wil begrijpen, de tijd moet ontstijgen en niet moet praten over eindig en oneindig. Hij heft het paar van tegenstellingen, eindig en oneindig, op. De poststructuralistische taalfilosoof zegt, dat een uitspraak als ... we eten later allemaal eeuwig van gouden bordjes ... . dezelfde betekenis heeft als een uitspraak als ... er is geen hiernamaals. Beide uitspraken hebben geen betekenis behalve de volkomen subjectieve en contingente betekenis, die spreker en toehoorder eraan geven. Zij bevorderen op geen enkele manier de communicatie tussen schrijver en lezer. Het zijn uitspraken, die aantoonbaar absoluut niets zeggen. Het zijn naamkaartjes, die geen relatie hebben met wat zij bedoelen aan te duiden. Met deze uitspraken zeg je niets en dan kun je maar beter niets zeggen of iets belachelijks. De mooie bijdrage van de poststructuralistische taalfilosofie is, dat zij de weg naar het mysterie weer opent. Dat doet Gerard Reve ook met zijn taal en humor en dat is ook zijn genialiteit. Maar dan moet je hem niet lezen als de catechismus. En dan hoef je dus ook niet bedroefd te zijn als hij zegt, dat er geen tweede voorstelling is.
De eeuwigheid is een mysterie van het leven, waar geen menselijke taal toereikend voor is. Wel zal dat mysterie genoegdoening geven aan alle menselijk vragen en aan alle menselijk lijden, zeggen ons de heiligen. Kunstenaars, zoals er velen waren onder heiligen, kunnen het mysterie aanraken zonder het kapot te maken ... het is daarom niet juist te zeggen, dat de dauwdruppel de Glanzende Zee in glijdt; het is dichterbij de waarheid om te spreken over de Glanzende Zee, die de dauwdruppel binnendringt. Er is geen gevoel van verlies maar van oneindige expansie, als, terwijl ik het zelf opgeef, het universum groeit tot > ik (Zen Buddhism. An Enquiry from the Western Point of View, Allen and Unwin 1961).
Iemand, die oprecht en in liefde zijn strijd in dit leven uitvecht, heeft zijn relatie met het mysterie van de onsterfelijkheid voldoende bepaald om het ooit opgelost te zien. Heiligen hebben niet veel gesproken over de hemel, wél over hun definitieve ontmoeting met Jezus, maar dan waren ze Hem meestal in dit leven regelmatig ook al tegen gekomen. Wat wél zo lijkt is, dat mensen, die de knoop van het bestaan hebben gezien en iets van eeuwigheid hebben ervaren de grens van de dood niet meer belangrijk vonden, zoals Stefanus, die de hemel zag open gaan toen ze hem stenigden. Socrates, die nog een heel college gaf terwijl hij stierf aan de gifbeker en Siddharta Gautama, de Boeddha, die, toen hij stierf aan een verkeerd stuk brood, er bij zijn wanhopige leerlingen de nadruk op legde, dat ze de bakker toch maar zeker niets moesten verwijten.
Zo ook Teresia van Avila. Zij had juist een klooster gesticht, ergens in Noord-Spanje, nadat zij op haar gewone geniale en listige wijze alle locale bezwaarmakers uit kerk en wereld had omzeild. Het klooster liep. In het oratorium zei Jezus tegen haar ... wat moet je hier nog? De grote dame schijnt het niet meteen dòòr te hebben gehad en zij vertrok terug naar Avila, naar het klooster van Sint Jozef. Maar in een klein plaatsje ten zuiden van Salamanca, in Alba de Tormes, zei ze tegen de zuster, die met haar meereisde. Vandaag ga ik dood ... en dat deed ze ook. Zo is het gekomen, dat de mensen van Avila haar lichaam niet hebben tot op de dag van vandaag. In tegenstelling tot de bewoners van Assisi, die sinds de twaalfde eeuw tot op de dag van vandaag niet meer hoeven te werken. Dzey bringk dzem dze mooney ... zei ooit een Siciliaanse kelner tegen mij in Assisi, zijn handen in wanhoop ten hemel heffend, omdat hijzelf altijd heel hard moest werken.
Nu moeten ze het in Avila doen met een klein museum, gevuld met de gebruikelijke attributen van heiligen. Het kerkje van Sint Jozef is gesloten en het heeft geen vaste openingstijden. Toen ik er echter was, vroeg het oude vrouwtje, dat oplette in het museum, uit zichzelf, of ik misschien het kerkje wilde zien. Ze had blijkbaar in haar lange carrière oog gekregen voor de echte minnaars van de heilige. Zij haalde van achteren een sleutelbos van wel vijftien centimeter doorsnede. Ik keek nog even of ze het misschien niet zelf was, maar ik geloof het niet. Teresa was veel dikker. In het kerkje besefte ik, dat dit de plaats was, waar de grote dame haar strijd gestreden had en dat het moment in Alba de Tormes eigenlijk een non-event was. Ik ben niet meer naar Alba de Tormes toe gegaan.
Nee, een tweede voorstelling is er niet, maar dat hoeft niet te bedroeven. Wat daar in die jaren gebeurd is in dat kerkje, daar gaat het om en dat is bezongen -waarschijnlijk rechtstreeks uit de eeuwigheid- in een van de mooiste stukken poëzie uit de Islam met de stem van Dhu-I-Nn al-Misri, ¬-en dan wordt de onsterfelijkheid genomen in the stride ... God heeft dienaren die bomen van zonden deden groeien, welke waren als bewakers van de ziel. Zij gaven de bomen water met het water van berouw; de bomen brachten spijt en droefheid voort. Zij werden bezeten zonder waanzin en idioot zonder stamelen of stomheid. Zij zijn de diepzinnigen, de welsprekenden, [zij] die God kenden en zijn Apostel. Zij dronken van de beker van zuiverheid en bereikten lijdzaamheid door beproeving. Zij verloren hun hart in de geestelijke wereld en hun gedachten zwierven door de paleizen die [Gods] almacht bedekten. Zij zochten beschutting onder de poort van berouw, en zij lazen het grootboek der zonde. Dan werden zij gegrepen door ontzetting, totdat zij de hoogten van ascese bereikten op de ladder van vroomheid. Zij vonden zoet de bittere [smaak] van het opgeven van deze wereld, en vonden zacht het ruwe bed, totdat zij grepen de draad van verlossing en het handvat der zekerheid. Hun geest zwierf vrij over de hoogten, totdat zij de tuinen van blijdschap bereikten. Zij stortten zich in de zee van het leven; vulden op de voren van de smart, staken over de bruggen van de passie, totdat zij afdaalden naar het binnenplein van kennis. Zij dronken van de stroom van wijsheid; reisden met het schip van kennis; en zeilden uit, onder de bries van verlossing, de zee op van zekerheid, totdat zij bereikten de tuinen van vrede, de bron van adel en glorie .

Wim Beurskens