Column Beurskens: Alle godsdiensten zeggen hetzelfde; Chalcedon revisited

Laatst merkte iemand op dat ik wel van mening zou zijn, dat alle godsdiensten hetzelfde zeggen. Er is zeker waarde gelegen in die notie, maar ze geeft toch een verkeerde indruk. Natuurlijk gaan de monotheïstische religies over één en dezelfde God. Natuurlijk moet je van alle grote wereldgodsdiensten zeggen, dat zij op weg zijn naar het middelpunt van dezelfde cirkel, naar de top van dezelfde berg. Y en el monte nada ... zegt Sint Jan van het Kruis. Op de top van de berg is er het Niets. Dan heb je meteen ook al het hele Oosten binnengehaald.
Christenen vinden, dat iedereen op weg naar die top op een bepaalde manier mee moet lopen met Jezus Christus. Hier gaat het dan over uitspraken, die betrekking hebben op dogmatiek, op leerstelligheid, en daar liggen de grootste verschillen tussen godsdiensten. Moraal en samenleving, mystiek en spiritualiteit, pastoraat en diaconaat, kloosterleven en bidden, dat zijn elementen van de godsdienst, waar de overeenkomsten veel duidelijker zijn. Bijvoorbeeld, euthanasie en abortus zijn in geen enkele godsdienst toegestaan. De teksten van Teresia van Avila kunnen vrijwel naadloos worden gelegd langs die van Maulana Rumi. Of, iemand die op Boeddhistische wijze kan mediteren, kan ook contemplatief bidden, want dat is hetzelfde, ook al is het object van het contemplatieve bidden de persoonlijke God. De Boeddha spreekt zich er niet over uit, of het object voor hem niet toch ook God zou kunnen zijn. Er ook maar iets van te zeggen gaat hem al te ver. Een verbeelding van het object van contemplatie doet haar al vervliegen. Dat komt overeen met het voorschrift in de Islam en de reformatie, dat je van God geen beelden mag maken, terwijl de katholieke kerk stelt, dat je geen enkel beeld absoluut mag stellen. En tenslotte schemert toch door het Hindoeïstische pantheon heen die Ene Brahman.
Zo kun je allerlei serieuze vergelijkingen trekken tussen godsdiensten en dan is de tendens sterk naar overeenkomst. Hoe dieper je gaat, des te meer overeenkomst. Zwarte bladzijden in de geschiedenis van een godsdienst worden vaak geschreven, als hij van de overeenkomst met andere godsdiensten afwijkt en dus van zijn eigen kern wegraakt. Inderdaad, de Christen met een open geest, moet aanvoelen, dat hij in een moskee zijn eigen God aanbidt. En het omgekeerde is ook waar. Iemand die denkt dat Allah de totaal andere is, die heeft niet veel van Allah begrepen -en dat is misschien nog tot daar aan toe, want dat wil hij misschien niet eens- maar hij heeft ook maar een behoorlijk armzalig beeld van zijn eigen christelijke God.
Mohammed en Jezus maken geen ruzie. De ruzies zijn altijd geregisseerd door de vijand-van-alle-goeds. De evangelies zijn volgens de Koran deel van de heilsgeschiedenis. Zelfs Maria wordt in de Islam meegenomen, veel verder dan menig protestant wil komen. Zo kun je dus nog wel een tijdje doorgaan. Maar toch, de Islam is en blijft een totaal andere godsdienst. Ik kan me herinneren, dat ik als kind een keer uit school terugkwam en dacht ... wat een geluk toch, dat ik in het goeie geloof geboren ben. De juffrouw moet dat die middag hebben laten doorschemeren. Later heb ik ook zelf gemeend, dat alle religies hetzelfde zeggen, maar het probleem is, dat de eerste notie ook is blijven bestaan.
Veel christelijke theologen hebben zich er het hoofd over gebroken, hoe zij de uniciteit van het Christendom moesten formuleren zonder afbreuk te doen aan andere godsdiensten, zeker na het tweede Vaticaanse concilie. Van te voren was er geen probleem: de catholica was uniek en the best ever. Dit was het extra ecclesiam nulla salus van Origenes en Cyprianus. Buiten de kerk is er geen redding. De Islam bijvoorbeeld was een verschrikkelijke dwaling, kruistochten waard. Geleerden, zoals de grote Nikolaus van Cusa, gooiden alle remmen los als ze het tegen de Islam hadden. Hij was een voorbeeld van hoe geleerde betogen konden afzakken tot pure retorica en tenslotte tot scheldpartijen. Als het over de verdoolde ziel ging, mocht alles. Het tweede Vaticaanse concilie deed een belangrijke stap. Het ware geloof bestaat in, subsistit in, de katholieke kerk. Dus buiten haar is ook waarheid mogelijk. Dat was al heel wat.
Echter voor de christelijke kerken mag Jezus toch op geen enkele manier betrekkelijk worden gemaakt. Hij is veel en veel meer dan een groot profeet. Karl Rahner kwam op het idee van de anonieme christen. Eigenlijk zijn andere, goede mensen, die in God geloven, zoals Moslims, gewoon crypto-christenen. Dit denkbeeld ondervond begrijpelijkerwijs veel kritiek door de bevoogdende bijklank ervan. De andere religieuze mens past ervoor crypto-christen genoemd te worden. Andere godsdiensten zijn er dan immers alleen voor de praepa¬ratio evangelica, de voorbereiding op het evangelie.
Anderzijds staat in de Koran ... twist niet met de lieden van het boek (Joden en Christenen). Echter dat betekent allerminst, dat de wezenlijke twistpunten met het Christendom opgelost zouden kunnen worden. Jezus is voor de Islam een groot profeet. Hij wordt in één adem genoemd met de aartsvaders. Maar toch, niet meer dan dat. Vanuit christelijk oogpunt wordt dit als een onmogelijke inperking gezien. Het Hindoeïsme aanvaardt Jezus als de zoveelste god in zijn pantheon. Jezus is dan wel God, maar één van de velen.
In de recente christelijke traditie gaat de theoloog Paul Knitter het verst en stelt, dat God als het goddelijke mysterie het middelpunt is van de heilsgeschiedenis en het startpunt moet zijn van een dialoog tussen de godsdiensten. Hij ziet een natuurlijke evolutie van ecclesiocentrisme, naar christocentrisme en tot slot naar theocentrisme. Van de kerk staat centraal , via Christus staat centraal tot God in het middelpunt. God heeft werkelijk door Christus gesproken, maar niet alléén door Christus. Edward Schillebeeckx maakt een onderscheid tussen heils- en openbaringsgeschiedenis. Toch lijken beide oplossingen niet voldoende recht te doen aan het unieke van Christus. Jezus wordt er minder van en dat kan niet.
De godsdienstwetenschapper bestudeert de godsdiensten met de ogen van de niet betrokken toeschouwer. De stelling dat het westers, wetenschappelijke kijken weinig oplevert, dat de moeite van het weten waard is, moet echter zeer worden gekoesterd. Onze hang naar onbereikbare objectiviteit is een blinddoek. Je moet Christen of Moslim of Boeddhist of Taoïst zijn om iets van geloof te weten. De godsdienst moet je niet bestuderen, je moet hem doen, zoals pastoor zojuist in de kerk nog zei. En godsdienst moet dus niet begrepen worden in wetenschappelijke, historische, poëtische of allegorische zin, maar uitsluitend als wat hij pretendeert te zijn: waar. En juist die waarheid is tussen de godsdiensten toch verschillend. In ieder geval lijkt met de methode van de godsdienstwetenschappen de bevinding, dat alle godsdiensten hetzelfde zeggen niet verklaard te kunnen worden. De godsdienstwetenschappers roepen trouwens doorgaans om het hardst met de kerken mee, dat alle godsdiensten verschillend zijn.
Als je het beeld van de berg blijft gebruiken, dan zijn de verschillen tussen godsdiensten onder aan de berg heel groot. Communicatie tussen godsdiensten dáár is vrijwel onmogelijk. Zij liggen heel ver van elkaar af. Onder aan de berg op weg naar de ander gaan is heel lastig. Je moet dan door ondoordringbare wouden en diepe ravijnen. In het beeld van de cirkel: je moet langs de buitenste rand om bij de ander te komen en dat is de langste weg.
Maar wat je ook kunt doen is binnen je eigen godsdienst blijmoedig de weg naar de top aanvaarden. Bovenaan kom je de ander dan wel tegen. De westerse mens kan niet met de Moslim communiceren. Dat blijkt uit alles. Als we als toerist een boeddhistisch klooster binnen lopen, dan zegt ons dat niet veel. Alles is vreemd. Als we in een bootje over de Ganges varen langs de oevers van Benares, dan begrijpen we wellicht dat we iets niet begrijpen, maar veel verder komt het niet. Echter, de vrome katholiek en de vrome Moslim, die begrijpen elkaar wél. Aan de top ben je op roepafstand en tot slot kun je elkaar de hand geven.
Zelf denk ik, dat we het probleem niet zo onder het juk van de rede en de Aristotelische logica te lijf moeten gaan. Het is een mysterie. Alle grote wereldgodsdiensten zijn uniek en genoeg in zichzelf. Toch zeggen zij hetzelfde. Dit is een flagrante tegenspraak. Het probleem van de rationele tegenspraak moet echter lager worden gesteld dan het intuïtieve inzicht. Dit dicteert ons, dat de verschillen niet zo groot zijn en de kern hetzelfde is.
Op dit punt aangeland wil ik ver terug gaan in de tijd, namelijk naar het concilie van Chalcedon, dat gehouden werd in 452, vlak vóór de tijd van Mohammed trouwens. Een kind, dat de eerste communie gaat doen en voor de eerste keer kennis maakt met het leven van Jezus, komt als vanzelf met de vraag ... maar als Jezus God was, waarom heeft hij dan niet een stel engelen naar beneden laten komen en die Romeinen een pak slaag laten geven? In wezen spreekt hier de notie uit, die ten grondslag lag aan de worsteling van de vroege kerk. Allerlei -ismen zijn er ons van overgeleverd ... arianisme, modalisme, patripassionisme, nestorianisme, sabellianisme, monophysitisme en zo verder. Deze stromingen weerspiegelen een strijd, die niet alleen ging tot het hart van de kerk, maar ook tot het hart van religie, zoals uit de kinderlijke vraag blijkt. Waarom die zweetdruppels die tot bloed werden, waarom het Eloï, Eloï, lama sabakt’ani? Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten? Was Jezus nu god of mens?
De lijdensverhalen lokken een geloofsconflict uit, dat zich niet alleen in de vroege kerk afspeelt, maar ook in het hart van de individuele gelovige, al haast voor het lezen en schrijven. Na die strijd komt er een rustpunt, dat naar woorden zoekt en zijn neerslag vindt in een zien, dat ná het geloven komt. De uitdrukking in taal daarvan was het dogma van Chalcedon ... we geloven in één en dezelfde Christus, de Zoon, de Heer, de Eniggeborene, die in twee naturen onvermengd, niet gescheiden, niet afzonderlijk bestaat. Op geen enkele manier wordt het onderscheid tussen de naturen vanwege de eenheid opgeheven. De eigenheid van iedere natuur wordt veeleer bewaard, in die zin dat zij in één persoon en hypostase samenkomen. Jezus was dus God en mens tegelijk. De Boeddhist zou hiervan zeggen ... dit is het opheffen van paren van tegenstellingen. Het dogma van Chalcedon zou daarom ook beslist niet misstaan als Zen-koan.
De formulering van het dogma lijkt toch de beste te zijn, omdat die het geloofsconflict in zijn meest navrante hardheid en logische inconsistentie onverlet laat. Maar de vraag, die zich hier voordoet is: kan er een verband gelegd worden tussen het dogma van Chalcedon en de notie dat alle godsdiensten hetzelfde zeggen, zonder dat de eigen godsdienst ook maar enigszins betrekkelijk wordt gemaakt? De tegenstelling is minstens evenzeer tegenstelling als het dogma zelf. We zouden kunnen proberen het eens toe te passen op onze vraag ... we belijden één en dezelfde religie, die in twee naturen ( bijvoorbeeld Islam en Christendom), onvermengd, niet gescheiden, niet afzonderlijk bestaat. Op geen enkele manier wordt het onderscheid tussen de religies vanwege de eenheid opgeheven. De eigenheid van iedere religie wordt veeleer bewaard, in die zin toch, dat zij in één kern samen komen. Men zou kunnen zeggen, dat het klinkklare onzin is om met behulp van het dogma van Chalcedon elk paar van tegenstellingen, dat niet goed uitkomt toch te lijmen. Toch gebeurt dat in een volledig voor het verstand onbevattelijke wijze in het dogma van Chalcedon. Jezus kan logischerwijs niet God en mens tegelijk zijn en toch zegt Chalcedon, dat dit zo is.
Het dogma van Chalcedon was de neerslag van een christelijk geloofsconflict, waarvan de uitkomst op grond van intuïtief inzicht als mysterie verwoord is en moest zijn. Jezus moest God en mens tegelijk zijn. Als een ander geloofsconflict in een ander tijdsgewricht ook tot het intuïtieve inzicht leidt, dat er verenigbaarheid van het onverenigbare moet zijn, dan moet het ook mogelijk zijn er in analogie met Chalcedon maar een nieuw mysterie bij te definiëren. Het zou niet de eerste keer zijn dat dit gebeurde. Als er dus intuïtief het inzicht groeit, dat alle godsdiensten hetzelfde zeggen zonder dat dit afbreuk doet aan de universaliteitspretentie van de eigen traditie, noch aan de waarheidsclaim van de andere traditie, dan kan dat een mysterie zijn dat als zodanig herkend is en aanvaard moet worden. De verwoording van zo'n mysterie kan de aanvaarding ervan bevorderen en dat is goed in zichzelf.
Hier is de vorm van het dogma gebruikt om het verschil tussen godsdiensten te verklaren. Vorm en inhoud zijn dus gescheiden. De inhoud van het dogma gaat over Jezus, niet over de overeenkomsten tussen godsdiensten. Dit is het onderscheid tussen formeel en materieel, tussen vorm en inhoud van Aristoteles in zijn hylemorfisme. Toch kan hier nog een stap verder worden gezet. In Aristotelische termen is de formele en de materiële betekenis, de vorm en de inhoud van het dogma van Chalcedon dus, voor het onderhavige probleem gescheiden, maar is dit wel nodig? Ís in wezen niet de notie, dat alle godsdiensten hetzelfde zeggen zonder relativering van de eigen godsdienst de eigenlijke stelling van Chalcedon, ook in materiële, dus inhoudelijke, zin? Het logisch voor het mensenverstand onverenigbare, namelijk dat God zich in de geschiedenis geopenbaard heeft op unieke wijze -want God kan zich niet op betrekkelijke wijze openbaren- en toch God is gebleven, kan dat niet van alle godsdiensten zèlf worden gezegd? Een religie is toch de openbaring van God op aarde? God heeft zich op unieke onvermengd, niet gescheiden, niet afzonderlijk, in de Koran geopenbaard, maar ook in Jezus Christus, op volstrekt unieke wijze. Het hiërarchisch ordenen van de godsdiensten in waarheidsaanspraak, wat bijvoorbeeld de katholieke kerk tot nu toe gedaan heeft, juist op grond van haar eigen uniciteitsaanspraak, zou niet nodig zijn, als het dogma van Chalcedon goed wordt gelezen. Vergelijkbaar is misschien het hindoeïstische begrip lila, het spel van God. God heeft de schepping mooi willen maken en daarom zich op verschillende manieren aan de mensen getoond, want ... truth is beauty and beauty is truth ... zegt John Keats.
Jezus zelf heeft het immers ook al gezegd ... de zonde van het loochenen van de Mensenzoon zal u vergeven worden, echter de zonde van het loochenen van de Heilige Geest zal u niet vergeven worden, nu niet en in der eeuwigheid niet. Expliciet betekent dit, dat zelfs iemand die zich met hart en ziel heeft ingeleefd in Jezus Christus nog zou kunnen zeggen, dat Hij niet voor hem betekent wat Chalcedon leert, zij het dat er dan toch wel van (vergeeflijke) schuld sprake is. Impliciet betekent het ook, dat mensen die nooit van Jezus gehoord hebben, omdat zij vóór hem leefden of omdat zijn boodschap hen niet bereikte of slechts misvormd, vrijgesproken zijn, maar toch niet ontslagen zijn van het "ja"-zeggen tegen de Heilige Geest, die zich kenbaar maakt op talloze andere wijzen.
Vermoedelijk mag ik dus -op grond van het dogma van Chalcedon- tegelijkertijd blij zijn in het goeie geloof geboren te zijn en tevens denken, dat alle godsdiensten hetzelfde zeggen. Cyprianus met zijn extra ecclesiam nulla salus had gelijk, maar dat de Koran dé heilige tekst is waarin Gods Woord zijn voltooiing vindt met Mohammed als zijn laatste en grootste profeet is ook waar. Dus om het wat polemiserend uit te drukken zou je kunnen zeggen: hoe katholieker je bent, des te beter begrijp je de Islam en des te meer heb je aan een dialoog. Dus toenadering van binnen uit en niet van buiten af. Franciscus van Assisi schijnt heel goed te hebben kunnen spreken met de Sultan van Egypte en zelfs gezegd te hebben ... God is overal.
Er is dan geen plaats meer voor superioriteitsdenken, terwijl bijvoorbeeld het onvergelijkelijk fantastische van de katholieke kerk geenszins wordt aangetast, maar er juist nog door wordt bevestigd. Ongelukjes zoals in Regensburg hoeven dan niet meer voor te komen. Je hoeft je dus zelf niet meer naar beneden te halen om te kunnen praten met de Islam. Omgekeerd -en even overdrijven- als je niets in de Islam ziet, ben je een slechte katholiek.
Het betekent ook, dat er een werkelijke dialoog met andere godsdiensten mogelijk is zonder dat het bij knuffelen blijft. Bijvoorbeeld, enerzijds kan de Islam dan met recht en autoriteit zeggen, dat de katholieke kerk zich -afwijkend van haar eigen traditie- te weinig profetisch opstelt tegenover de westerse consumptiemaatschappij. Anderzijds kunnen wij dan met recht en autoriteit zeggen, dat het Islamitisch terrorisme niet alleen niet past in een christelijke traditie, maar ook niet in een Islamitische. En dan heb je tegenwoordig toch al genoeg stof tot praten.