Column Beurskens: Goed en kwaad

Edvard Munch, de schreeuw Een bevriende chirurg vertelde me laatst, dat alles uiteindelijk biologisch verklaard zal kunnen worden. Alle psychische dingen, goed en kwaad. Alles, want alles is chemie. Daaraan draagt bij, dat een uiterst geleerde zoon in het kankeronderzoek juist op het biologische pad fors vooruitgang boekt. Een andere vriend houdt er een heel stelsel van moraal op na en hij leeft er ook nog naar. Maar het etiket God mag er niet op worden geplakt. Alles is cultuur. Misschien zijn er wel Christelijke wortels in onze cultuur, maar ook dat is cultuur.
Hoe goed en kwaad ontstonden staat op de eerste bladzijden van de Bijbel. Het is blijkbaar wezenlijk. Daarom leeft een tijd die goed en kwaad ontkent in onmin met religie. Toch is het kwaad ook een mysterie. De mens mag er niet van weten. Daarbij was ook de boom van het leven midden in de tuin en de boom van de kennis van goed en kwaad ... zegt Genesis. Hij mag niet eten van de vruchten van die boom, omdat hij dan zou weten van het wezen van het kwaad, terwijl juist een groot deel van de bijbel erover gaat deze kennis over te dragen ... maar van de boom van de kennis van goed en kwaad moogt ge niet eten. Een paradox dus. Bovendien noemt Genesis de boom van de kennis van goed en kwaad ook de boom van het leven. Het gaat om het allerwezenlijkste. Misschien was de boom in de tuin van Eden wel een voorafbeelding van Jezus, die iets deed met het kwaad, dat de zondencatalogus te boven ging. Voor alle zonden is vergeving mogelijk, maar toch moet de mens met alles wat in hem is streven naar het goede, want hij heeft niets ergers te vrezen dan de zonde, die verwijdert van God en van de mens. Maar toch, hoe harder je God zoekt, des te onwaardiger lijk je Hem te worden.
Er zijn paradoxen in het kwaad en het lijkt wel of zij die een antwoord hebben gegeven op een zijspoor zijn geraakt, zoals bijvoorbeeld Pelagius en Jansen. Pelagius dacht dat de mens gered kon worden door zich op eigen kracht maar goed aan de regels te houden. Jansen en het naar hem genoemde Jansenisme dachten precies het tegenovergestelde. De mens kan zelf niets. Hij is helemaal afhankelijk van de genade Gods. Zij echter die de paradox hebben laten staan zijn dichterbij de waarheid gebleven, zoals Paulus en Augustinus. Want zij gaven géén antwoord. Zij hielden zich aan Genesis. Het kwaad hoort wezenlijk bij de mens, terwijl God niets heeft gemaakt dat niet goed is. De mens is immers geschapen als zijn evenbeeld. Het staat allemaal haaks op elkaar.
Zo belangrijk vond men een oplossing voor dit mysterie, dat men er iets voor op papier wilde hebben, wat gewone mensen konden begrijpen. Dit heeft de kerk gebracht tot de doctrine van de erfzonde. De uitleg van de eerste Genesis-hoofdstukken lijkt echter nogal mank te gaan, zoals door de dominicaan Andrés van Meegeren is aangetoond. Waar het echter om gaat is juist die intentie om het mysterie van het kwaad op te lossen. De erfzonde is zo’n oplossing en juist dit lijkt een stap die niet gezet had mogen worden. Genesis zegt dat het mysterie van goed en kwaad onaangeroerd moet blijven, onaangetast en onopgelost. De pijnlijkheid ervan moet voor ieder te voelen blijven. Het idee van de erfzonde heeft echter de schijn van een oplossing en dat is juist verboden. Dat is eten van de verboden vrucht.
Met als gevolg dat in het oude Limburg vaders met hun dode kindertjes in een kistje achter op de fiets alleen naar het kerkhof moesten. Daar werden de ongedoopten achter de muur begraven. Nu worden monumenten voor hen opgericht, omdat mensen voelen dat het fout was. En tegen een dergelijk inzicht -een achterdeurtje naar de hemel dat de mens altijd heeft-, daar kan geen theologische traditie tegenop.
Het mysterie van goed en kwaad mag dus niet worden opgelost door kennis, zelfs niet door kennis van de kerk. Dan neem je de mens als vrij schepsel Gods niet serieus. Je maakt hem tot een robot. Dan los je het probleem voor hem op, maar dan ben je wel de Groot-Inquisiteur uit de Gebroeders Karamazow van Fjodor Dostojewski, die buiten Jezus kan.
Ieder mens heeft met het kwaad te maken. Zo zegt al-Ghazzali ... geen mens is vrij van zonde, het behoort tot zijn wezen ... , terwijl God wordt genoemd ... de Bedekker van de zonden. Ook in de Christelijke traditie is lang de discussie gevoerd of het kwaad wel werkelijk bestaat. Dionysius Areopagita zegt ... het kwaad kan niets voortbrengen noch iets onderhouden, het kan niets maken of dragen. Ook de Heilige Diadochus van Photiki, bisschop van Epirus, zegt dat het kwaad alleen bestaat als de mens het dagelijks voedt ... want het goede, dat bestaat van nature, is machtiger dan onze neiging tot het kwade. Het ene heeft bestaan, terwijl het andere geen bestaan heeft, behalve als wij het bestaan géven door onze daden ... Als wij het even niet doen, dan is het al weg. En nog eens de Areopagiet ... echter, datgene wat geheel verstoken is van het Goede, heeft nooit welke vorm van bestaan gehad dan ook, heeft die nu niet, zal die nooit hebben, en kan die ook niet hebben ... Het kwaad op zichzelf bestaat niet. Het moet altijd worden gevoed door het onvolmaakt goede in de mens met vrije wil. Want datgene wat in het geheel geen deel heeft aan het Goede, is niet en heeft geen plaats in het bestaan.
Dus het kwaad moet worden onderhouden om het enigszins te laten bestaan, maar dan geheel dankzij de eigen vrije wil van de mens, anders vervliegt het meteen. De duivel, de vijand van alle goeds, hij die altijd rondgaat zoekende wie te verslinden, vermag niets tegen de mens van goede wil, ook al is die nog zo zwak. Toen men nog in demonen geloofde zei de heilige Maximus de belijder van hen ... zelfs de demonen zijn niet slecht van nature, maar zij zijn slecht geworden door het misbruik van hun natuurlijke krachten. Dionysius zegt dan dat iets alleen bestaat naar mate het deel heeft aan het goede. Iets wat alleen deel heeft aan het kwade bestaat niet. Het kwade verliest het altijd. Hoe erg het er in de dagelijkse wereld soms ook uitziet, tenslotte kan er niets op tegen het goede. Dionysius Areopagita ... met andere woorden, de dingen in het bestaan zullen in die mate deel hebben aan het zijn, naarmate zij deel hebben aan het Goede ... Verwijder al het Goede en er is niets meer.
Het kwaad heeft een totaal andere kwaliteit dan het goede. Het zijn niet twee krachten, die je kunt vergelijken met elkaar. Het goede en het kwade behoren niet tot dezelfde categorie. Het is geen plus en min. Je kunt geen appels met peren vergelijken. De gang van het goede naar het kwade is een μεταβασις ις λλoς γεvoς, een metabasis eis allos genos, de overgang naar een andere soort.
Er is dus een verband tussen het goede met de werkelijkheid, van de liefde met de werkelijkheid. Het is een betrekking, die gaat tot op het wezen der dingen. Het kwade heeft die eigenschap niet. Wat werkelijk is, de basis van alle dingen in het zijn, is liefde. Dus niet, bij het wezen der dingen komt de liefde te pas als noodzakelijk ingrediënt, het is liefde. Het wezen der dingen vind je niet bij de atomen of het niets daartussen of bij de grenzen van het heelal, maar bij het Goede. Zo is het ook met het Goede. Terwijl het bestaat ver boven de zon, een archetype ver verheven boven zijn vage beeld, zendt het zijn stralen van onverdeelde goedheid uit naar alles dat het vermogen heeft ze te ontvangen, in welke vorm dat ook is. Deze stralen zijn verantwoordelijk voor alle te begrijpen en begrijpende wezens, voor iedere kracht en voor iedere activiteit ... aldus Dionysius Areopagita. Overigens is dit in het Griekse denken opgelegd pandoer, zowel bij Aristoteles als bij Plato. De werkelijkheid is nooit iets, dat een onverschillige betrekking heeft tot het goede. Kennis van de werkelijkheid is ook altijd kennis van het goede.
Zo kan gemakkelijk het idee van de apokatastasis ontstaan, wat bij Origenes wordt terug gevonden en waar hij voor is veroordeeld tijdens het Tweede Concilie van Nicea. Uiteindelijk komen alle zielen in de hemel. De hel is leeg. Tenslotte wordt ieder mens ooit omhelsd door Jezus, alsof Hij alleen op hèm heeft gewacht. Zoals Teresia van Lisieux ook zegt ... je crois dans l’enfer, mais je crois aussi qu’il est vide. Ik geloof in de hel, maar ik geloof ook dat ze leeg is. Bij de apokatastasis is er ook een spanning opgeheven, die nooit mag worden opgeheven. Zowel bij Origenes als bij Teresia zijn deze gedachten echter een afspiegeling van hun eigen biografie, die van Teresia een kerklerares heeft gemaakt en van Origenes tot één van de allergrootsten uit de oudheid. Er is er géén groter dan Origenes ... zeggen zij die van hem houden. Bij Origenes en Teresia waren deze woorden een poëtische uitdrukking voor hun eigen bevrijding. Als je er dogma’s van maakt, wat zij zélf nooit gedaan hebben, dan verdienen zij inderdaad een veroordeling. Want het zal ons toch hopenlijk niet gebeuren in de hemel, zoals èèn van mijn vrienden ooit zei, dat we onszelf moeten horen vragen of Ome Adolf alsjeblieft het zout eens door wil geven.
Paulus hield bij zijn toespraak op de Aeropaag de Atheners voor, dat zij de enige, ware God moesten aanbidden, ook de God die gij niet kent, omdat God de mens heeft geschapen, ... opdat zij God zouden zoeken, of zij Hem misschien al tastende zouden vinden; Hij is immers niet ver van ieder van ons. Paulus brengt hier waardering op voor het goede en het zoekende in het Griekse denken. Hij heeft immers op zijn gang door Athene een altaar opgemerkt met het opschrift ... aan een onbekende god.
Dionysius maakt gebruik van de denkbeelden van Aristoteles. Voor hem is de vrije wil van de mens nog geen thema. Want op zijn gedachten is dat een vanzelfsprekend vervolg. Dat gedeeltelijk gebrek, wat het kwaad is, komt voort uit de vrije wil van de mens, ook door de Schepper gegeven. De afstand tussen de mens en het goede kan enerzijds worden overbrugd door die vrije wil, die gericht kan zijn op het goede of op het kwade. En die afstand wordt anderzijds ook overbrugd door de goddelijke genade, die naar de mens in zonde toe gaat, ongevraagd, zelfs al wil hij niet veel goeds. Zo ontstaat dan een nieuw mysterie, dat van de menselijke vrije wil en de genade Gods, tussen het initiatief van de mens en dat van God. En ook dat mysterie mag niet worden opgelost. Friedrich von Hügel noemt dit de wrijving die niet ontlopen mag worden ... alleen door de wrijving toe te laten, te erkennen, geheel en zorgvuldig vast te houden zal onze ziel in staat zijn om op een juiste en rijke wijze haar weg te gaan, te groeien en zich te ontplooien. Maar leuk is het niet altijd zegt hij ... lieve hemel, wat een slopend proces is dat. Het kan hoogstens fascinerend werken op degenen die er theoretisch over nadenken en zich niet in die molen bevinden waar zij zich tot poeder gemalen zouden voelen.
De schepping is goed en de mens mag gelukkig zijn en van het leven genieten. Het aantrekkelijke in de redenering van Dionysius is, dat zij geen plaats laat voor de tegenstelling van het kwaad tegenover het goede. Het zijn geen aan elkaar gewaagde machten. Er is dus ook geen tegenstelling tussen materie en geest. Dit oude idee heeft immers eeuwenlang mensen doen geloven, dat je de wereld moet haten om God te vinden. Dionysius, zoals ook de officiële kerk, gaan in tegen de extreme ascese die het bestaan veracht. Je hoeft niet het klooster of de woestijn in te trekken om gered te Jezus sluit de overspelige vrouw in zijn armen, niet de farizeeër. Hij komt om de zieken te genezen, niet voor de gezonden. Hij hield van het leven en at met de zondaars. In levend bewijs, de tekst van het passiespel van Tegelen, zegt Jezus in de hof van olijven tijdens de mooiste Gethsèmani-scene ooit voor theater of film geschreven ... beken ik, dat ik, als de aardworm aan mijn voet, hier leven wil, Hier leven wil bij hen die ik bemin, die U bemint. Bij hen die U beminnen. Siddharta Gautama, de Boeddha, bereikte pas verlichting, toen hij weer hield van het leven. Toen hij dat begreep, was het in èèn nacht bekeken.
De mens mag het mysterie van goed en kwaad niet kennen. Het kwaad is eigenlijk de afstand tussen de mens en zijn Schepper, tussen de mens en zijn medemens en tegelijk de afstand tussen de mens en zichzelf, want hij is immers gemaakt als evenbeeld van God. Een mens moet eerst leren van zichzelf te houden zeggen de psychologen, anders kan hij niet houden van zijn medemens. Self-hate is een enorm obstakel voor de gezondheid. Het kwaad vervreemdt en vervreemding leidt tot wanhoop. Bij de gang van het goede naar het kwaad verliest de mens méér dan iets moreels. Hij raakt ook het zicht op de werkelijkheid kwijt. In het kwaad zit dus ook een sterk element van irrealiteit. Het kwaad heeft geen band met de werkelijkheid zoals zij is.
Niettemin mag de mens het absoluut werkelijke niet kennen. God is alleen toegankelijk door het geloof. Na het geloof kan er wel iets van kennen komen, maar dat is een ander soort kennen. Het kennen van God en elke poging daartoe is al in de eerste hoofdstukken van de bijbel verboden. De mens kan zichzelf dus ook in zijn wezen niet kennen. De enige ware verhouding van de mensen onderling, de enige die een basis in de werkelijkheid heeft -de I and thou relatie, zoals Martin Buber ze omschrijft- staat dus ook nooit onder het opzicht van kennis, maar onder dat van geloof, hoop en liefde, met de nadruk op het laatste zegt Paulus. De regisseerbare internet-robot, de CNN-wereldburger, heeft dus niet alleen geen basis in de werkelijkheid, maar hij deugt ook niet. Deze in wezen gnostische visie op de mens mag niet. Zo’n wezen is wel creëerbaar, omdat de mens ook schepper is. Die macht heeft hij gekregen. De mens kan zichzelf herscheppen in een vorm die hem belieft, dus ook als een vervreemd wezen zonder liefde. Omgekeerd past een mens die bemint, dankzij en ondanks alles wat hij is, juist in het plan van God met deze wereld. De iconen van Dostojewski, Vincent van Gogh, Gerard Reve worden nooit gered door kennis van goed en kwaad. Het mysterie van goed en kwaad behoeft verlossing en geen kennis.
Volgens Dionysius Areopagita behoort het kwaad niet tot de werkelijkheid. Het kwaad vervreemdt dus. Het omgekeerde is ook waar. Wordt een mens overvallen door een gevoel van vervreemding van de werkelijkheid, dat hem tot ontzetting brengt, dan is er waarschijnlijk een spirituele crisis aan de hand, zoals die zo mooi is uitgebeeld door Edvard Munch in Skrik, de Schreeuw. Die crisis heeft altijd te maken met het kwaad. En voor hen die dat een te zwaar woord is: dan gaat het altijd ook om afwezigheid van het tegendeel. Dan is er altijd wat aan de hand met de liefde. Dan moeten voor zo iemand alle hens aan dek, omdat voor de mens de liefde de enige reden van zijn bestaan is. De spirituele crisis die veroorzaakt wordt door vervreemding van de werkelijkheid zoals ze is, zal ik in volgende columns proberen te bekijken.
Nee, ik ga die vrienden van mij toch maar weer eens streng aanpakken. Alles is chemie. Alles is cultuur. Chemie en cultuur zijn mooie vormen van de materie, die daarmee deel hebben aan het goede. Maar materie is niet het wezenlijke. Het is versiering van het bestaan, door God gewild weliswaar, voor ons om van de genieten, zomaar, maar zij gaat niet over het wezenlijke. Turen in de microscoop brengt je geen stap verder naar het wezen der dingen. Prakkiseren over de kleinste deeltjes of over de verste grenzen van het heelal, je schiet er niets mee op. En kanker, dat is een filosofisch probleem. Dit en nog meer zal ik die chirurg onder de neus wrijven, als hij weer eens onder een of ander voorwendsel mijn spreekkamer binnendringt om me vervolgens dan weer meteen op God aan te vallen.