Gedicht: Pasen 2011

Dankbaar

Niet lang geleden vond ik hem,

Op het internet, zomaar ineens,

Na bijna veertig jaar een vage foto,

Maar zeker wist ik dat hij het was.

 

Bij een reünie van onze Amerikaanse tijd

Had niemand hem gevonden,

Nergens zelfs nog maar een teken,

Alsof zijn leven nooit meer was opgemerkt.

 

Totdat later iemand zei,

Die eens zijn naam had horen noemen,

Dat hij aan AIDS gestorven was,

Op het laatste van de jaren tachtig.

 

Nu stond naast die foto ook,

Dat ze bijna niets meer van hem wisten,

Ook daar alle sporen uitgewist,

Behalve deze ene schim.

 

De brieven aan mij, uit die vervlogen tijd,  

In een schijnbaar evenwicht geschreven,

Hoewel het verlangen reeds weerklonk

Van een mens naar zijn bestemming.

 

Een kunstig spel van woorden,

Tussen Delaware en Californië,

Die dag vóór de verre Kerstmis,

En zoveel schrijnend tasten, nog verholen.

 

En mijn antwoord,

Wie weet waar het gebleven is,

Verdampt in mijn herinnering,

Zonder twijfel ook gebakerd in dezelfde taal.

 

Op het einde van dat jaar,

Alleen, te midden van een blije menigte,

Leek hij een vreemde,

Alsof die brieven nooit geschreven waren.

 

Vluchtig, op Long Island,

Ja, ergens op de trappen van een school,

Was er alleen een blik in het voorbijgaan,

En terloops een stil hallo.

 

Niet eens een vraag,

Of woorden, wederzijds.

Een afstand, te overbruggen,

Slechts door tijd oneindig.

 

Teleurgesteld was hij misschien,

Bij zijn pogen tot vertrouwen,

Dat mensen zonder antwoord lieten

En ik hoorde tot die wereld.

 

Hoewel ook ik toch voortging

Tussen al die jonge mensen

Briljant en veelbelovend,

In grote eenzaamheid.

 

Echter trouwer aan hemzelf was hij

Dan ik wellicht,

Die zeker wist,

Dat er geen antwoord komen zou.

 

Even ooit was er een straal van licht,

Vaak slechts een glinstering,

Die de weg wees naar het leven.

Maar ik zag ze niet.

 

Soms was er een ogenblik,

Als een halteplaats op 's levens weg,

Dat Uw Gelaat ons nader kwam,

Maar Gij U zoeken liet, nog langer.

 

Niet slechts voor een ogenblik

Liet Gij U nog kennen.

Gij hebt het niet gewild,

En heb ik U niet teleurgesteld?

 

Nooit meer heb ik hem gezien,

Slechts die weerklank is er

Van die luttele dagen,

Dat ik hem bij leven zag.

 

Ook vergeten wel,

Totdat het besef er kwam,

Van een tekst,

Nooit ten einde toe geschreven.

 

Van een weemoed te ontstellend,

Een rimpeling ook, vol van dreiging,

In het lang bevochten evenwicht,

Om de laatste regels niet te zullen schrijven.

 

Zijn verhaal, het mijne en het zijne,

Zijn weg, de mijne en de zijne,

Moeten beide passen in die orde,

Anders is het nu mijn orde niet.

 

Ik wil geen relatie,

Hoor ik iemand zeggen.

Dat kan niet, dat besef ik later pas,

Dat is werkelijk helemaal niet mogelijk.

 

O Heer, sommigen zijn er

Die Gij wilt voor U alleen,

Alleen als dat het is, het ondenkbare,

Kan er in die levensgang ooit vrede zijn.

 

Een mens kan zoeken echter,

Naar het Gelaat van zijn Geliefde,

Een hunkering,

Heel zijns levens weg.

 

Maar vinden kan hij Het alleen,

Als hij niet achteloos voorbij gaat,

Aan het verlangen van de pelgrim,

Die met hem medereist.

 

Is het waar dat het nooit gesloten is

Dit boek,

En dat de laatste regels nog te schrijven zijn,

Zelfs in deze dagen, na zo lang verlopen tijd?

 

Daarom weet ik nu ook,

Waarom ik altijd tót hem bad,

Niet vóór hem,

Op Uw ingeving.

 

Dat hij moge zijn tot metgezel,

Tot mijn stille reisgenoot.

Heer, heb toch mededogen

Met hen die overblijven.

 

Die nog moeten gaan langs de afgrond,

Over het touw van de danser,

Want als dit gedaan is, als dit is opgelost,

Weet ik dat ik in de hemel ben.

 

Is het dan toch mogelijk?

Te leven heden in een storm van glorie

Naar een eeuwig wederzien

Zoals Johannes daar op Patmos?

 

Want dat is dan mijn weg,

Minder is niet mogelijk,

Dat is dan het gevolg,

De onvermijdelijke slotsom.

 

Toen Gij ons had geroepen,

Moest ik wachten

En nog even langer

In dit leven blijven.

 

O ja, een enkel detail wist men wél,

Hij ging vaak naar van Kilsdonk, de pater Jezuïet,

En hij leefde met een huisarts

Die ook gestorven was aan Aids.

 

Met een huisarts ook,

God beware me, dit is bijgeloof.

En juist toen ik in die dagen streed

Mijn strijd met U, stierf hij.

 

In die jaren ooit stond ik ergens,

En die priester kwam voorbij,

Hij sprak zo vriendelijk tegen mij,

Alsof hij reeds lang mij kende.

 

Hoe is zijn weg gegaan,

Die zo vervuld van leven aanving?

Vol verwachting en verlangen,

En eindeloos vertrouwen ook.

 

Welk pad van lijden

Heeft hij moeten treden,

Toen dit alles in een ogenblik van catastrofe

Voorgoed geen vaste grond meer had?

 

Heeft hij tenslotte ook gezocht naar U?

Naar U die geen mens vergeet

En ons omarmt met meer vertrouwen

Dan waar verlangen ooit voor hopen kan.

 

Gij kwam zomaar in ons leven,

Toen Gij onze hulpeloosheid zag.

En nooit meer hebt Gij ons alleen gelaten,

Geen enkel ogenblik zijt Gij van ons weggeweest.

 

Hem echter voegde Gij bij het getal van hen,

Die Gij eerder in Uw nabijheid roept.

Zij hoeven U niet het lange leven te verbeiden,

Zoals zij die voortgaan op een ander pad.

 

In de Nieuwe Wereld nog,

Was schuchter ooit die weg begonnen

Op dat blauwe postpapier

Dat nu nog ligt verstoft.

 

Dromen, nooit vervlogen

Nee, dat is het wonder,

Dat geen mens begrijpen kan

Vervuld, voor hem en ook voor mij.

 

Dat ooit op de treden van die school,

Zo gruwzaam duister op die helderlichte dag,

Uw gouden licht nog schijnen kon,

Op dit ogenblik, heden, glanzend stralen zou.

 

Raak Me niet aan,

Die geheimzinnige woorden

Wat dan met hem?

Ja, wat dan met hem?

 

Dat zijn de woorden

Die in de Heilige Boeken staan

Tot aan de hemelpoort gehuld in hun geheim

Over hen die Hem beminden.

 

Die leerling kwam als eerste bij het graf,

Omdat hij harder rende,

Maar hij bleef buiten staan,

Hij ging niet naar binnen.

 

Na dat ogenblik van aarzeling,

Voor eeuwig in die oude woorden neergelegd,

Keek hij naar binnen

En hij zag en hij geloofde.

 

Onze wegen liepen uit elkaar,

Zo zegt men dat,

Maar dat was niet zo,

Dat was dus helemaal niet zo.

 

Wim Beurskens

 

 


Fons Visser * 15 Januari 1954, Leeuwarden, † 18 Mei 1991, Malaga.

 

  Tijdens het afmaken van deze tekst verschenen er in het internet opeens een betere foto, meer details en een foto van zijn graf op de Nieuwe Ooster begraafplaats in Amsterdam.

  AFS, American Field Service, scholierenuitwisselingsprogramma naar de Verenigde Staten, schooljaar 1971-1972.

Fons was in een plaatsje Yorklyn in het Noorden van Delaware en ik in Rohnert Park, even ten Noorden van San Francisco.

  Joh. 20,17 Jezus tegen Maria Magdalena op paasmorgen.

  Joh. 21,21 Petrus tegen Jezus over Johannes.

  Verg. Joh. 20.