Column: Iranzu

Deze week ben ik in Iranzu, een oud cisterciënzer klooster uit de twaalfde eeuw rondom een kapelletje dat er in de elfde eeuw al stond. Buiten is er niets, geen mensen of huizen althans, want het klooster ligt in een eenzame kloof tussen ontoegankelijke bergen en de smalle weg ernaartoe gaat voorbij het klooster over in een vrijwel onbegaanbaar bergpad. De weg komt niet op mijn tom-tom voor.

 

Vanaf mijn kamer keek ik vannacht naar buiten. Ik meende eerst een lichtje te zien, maar het was de weerkaatsing in het raam van het theelichtje voor mijn icoon van Maria. Het was aardedonker en geen geluid kwam er van de verstilde gebouwen. Alleen de wind huilde om de klokkentoren. Het geluid van de slagregen op het dak werd overstemd door de kletterende regenpijpen. Op de berghellingen zag ik geen enkel lichtje, niets. Het dal is onbewoond. Na enige tijd, toen mijn ogen in het donker waren gewend, herkende ik toch in een vaal licht de vage omtrekken van de gebouwen met de bogen van de kruisgang. Maar daartussen bleef het inktzwart. Als er spoken bestaan zitten ze hier zeker. Overdag heb ik al een zwarte kat gezien. Het zou een fantastisch decor zijn voor een griezelfilm.

Halverwege de negentiende eeuw, in de naweeën van de Verlichting werd het klooster verlaten en verviel het tot een ruïne. Een eeuw later tijdens de tweede wereldoorlog werd het overgedragen aan de paters Teatijnen en is het gerestaureerd.

In zijn bloeitijd was het een machtig klooster met veel bezittingen in heel Navarra en ook nog tot ver in Spanje. Het is een groot complex van gebouwen rondom een vierkante kruisgang. Alles is naar binnen gericht om God beter te kunnen zoeken.

Veel van wat hier ooit gebeurde is niet bekend, want het archief is door brand verwoest. En cisterciënzer kloosters hadden een grote autonomie, zodat er niet veel te vinden is in andere kloosters of in Rome bijvoorbeeld. Bovendien kenden de paters de Benedictijner stabilitas loci, de stabiliteit van plaats. Dat betekende dat je bleef op de plaats waar je intrad. Als je er eenmaal was, ging je nooit meer weg. Veel verkeer onderling was er dus niet. Op die manier zijn ook geen verhalen uit Iranzu overgeleverd.

Als ik met de pater door de bijna duizend jaar oude gebouwen loop, laat ik mijn fantasie de vrije loop. De Teatijnen bewonen maar een gedeelte en daar is het warm en gezellig met planten, schilderijen, fluitende kanaries en gastvrije en begeesterde mensen. Daarbuiten echter overvalt je de strengheid van de Romaanse architectuur, zoals de cisterciënzer monniken die hebben laten verrijzen. De enorme koude en hoge kerk lijkt nog kouder, omdat het Heilig Sacrament, Jezus zelf dus, er niet is. Ik mis nog het cisterciënzer ... soli Deus, God alleen ... boven de poort. Wat hebben die mensen hier toch in Godsnaam gezocht?

We komen langs de kapittelzaal die het centrum van het gebouw vormt. Hier zal menigeen met knikkende knieën binnen zijn gegaan want de abt was almachtig. Hij bepaalde het leven van de monniken. Op de kapitelen van de zuilen van de kruisgang staan de vogeltjes en bloemen van de streek afgebeeld, althans die van de Middeleeuwen. De architect verontschuldigt zich hiermee omdat hij op hun plek de rust komt verstoren met zijn gebouw. Nou, dat is tenminste een menselijk trekje.

Dan komen we in de cellen waar de monniken in werden gezet als ze de regels hadden overtreden. Het zijn er twee, dus ze zullen wel regelmatig zijn gebruikt. Het zijn donkere holen van anderhalf bij twee meter, die maar weinig licht binnenlaten. Nu zijn ze mooi aangeveegd en zien ze er netjes uit, maar vroeger zullen ze heel koud of heel warm zijn geweest al naargelang het jaargetijde, met vocht en ongedierte. Don Quichote zegt dat hij in zoiets zijn reumatiek heeft opgelopen. Ik neem een paar foto's om aan een bevriende overste te laten zien, als die weer eens omhoog zit met lastige religieuzen. Wat is een klooster zonder kerker.

Hier moet ik ook denken aan Sint Jan van het Kruis die acht maanden in de kerker van Toledo heeft gezeten. Geregeld werd hij eruit gehaald om afgeranseld te worden totdat hij zei wat men wilde dat hij zei. Tenslotte wist hij een keer over de muur te klimmen en te vluchten en werd hij liefdevol opgenomen in een zusterklooster. Maar in de kerker van Toledo heeft hij zijn mooiste werk geschreven.

Als deze oude, koude en vochtige muren konden spreken dan zouden zij spreken over veel ellende, maar waarschijnlijk ook over veel geluk. Aan de troosteloze verlatenheid van dit overblijfsel uit vroeger tijden kan ik niet beoordelen, wat er zich binnen deze muren heeft afgespeeld. Of mag ik toch denken dat er moedwillig geestelijke verlatenheid werd opgewekt om naar het hogere te komen? Zijn deze gebouwen misschien de architectonische verbeelding van de donkere nacht van de ziel? Die zendt God naar de mens, omdat Hij het grootste geluk met hem voor heeft. Sint Jan beschrijft de donkere nacht van de ziel en je kunt hem in deze gebouwen voelen als je er een beetje ervaring mee hebt. Alle eerdere verzen van zijn gedicht voorziet hij van commentaar, maar dat houdt op bij deze laatste regels, want die spreken voor zichzelf, als zij na de donkere nacht gaan over de ontmoeting met God zelf ...

 

Oh, night more lovely than the dawn,

Oh, night that joined Beloved with lover,

Lover transformed in the Beloved.

 

Upon my flowery breast,

Kept wholly for himself alone,

There he stayed sleeping, and I caressed him,

And the fanning of the cedars made a breeze.

 

The breeze blew from the turret

As I parted his locks;

With his gentle hand he wounded my neck

And caused all my senses to be suspended.

 

I remained lost in oblivion.

My face reclined on the Beloved.

All ceased and I abandoned myself,

Leaving my cares forgotten among the lilies.   

 

Ja, dit is zeker ook gebeurd, hier in Iranzu.

 

Wim Beurskens

 

 


 

  ¡oh noche que juntaste

amado con amada,

amada en el amado transformada!                 

 

  En mi pecho florido,

que entero para él solo se guardaba,

allí quedó dormido,

y yo le regalaba,

y el ventalle de cedros aire daba.

 

  El aire de la almena,

cuando yo sus cabellos esparcía,

con su mano serena

en mi cuello hería,

y todos mis sentidos suspendía. 

 

  Quedéme y olvidéme,

el rostro recliné sobre el amado,

cesó todo, y dejéme,

dejando mi cuidado

entre las azucenas olvidado.

 

[ii] Saint John of the Cross, vertaling E. Allison Peers, Radford, VA, USA 2008.