Column: Verlossing

Vanmiddag hier aan tafel vraagt de overste aan twee jonge, Afrikaanse seminaristen of ze ook lijden. Nee, zeggen ze, we zijn blij. Nou ik lijd wél, zegt de overste, en dan huil ik ook en ik vang de tranen op in een flesje, zo kostbaar zijn ze voor mij. Iedereen lacht. Maar het lijden komt toch … probeert de overste het nog eens. Ineens klopt het aan de deur. Ja, zegt de ene seminarist uit Oeganda, maar dan veranderen we het toch liever in vreugde. Lijden willen we niet. De overste is tevreden met het antwoord. Hoe naïef ze mogelijk ook zijn, ze hebben nog gelijk ook, dacht ik, want daar gaat Kerstmis over. Het is een blijde boodschap voor mensen van goede wil. En zij verandert het lijden in vreugde en het duister in licht. Maar volgens de seminaristen hier in het klooster kun je de duisternis dus blijkbaar ook overslaan en meteen blij zijn.

Nu richt de overste zijn pijlen op mij. Hij vraagt of ik ook lijd. Ja, zeg ik, maar ik ben ook felicissimo … overgelukkig. In cruce salus … het heil ligt in het kruis. Ik weet onderhand wat ik moet zeggen. In de mis hebben de paters gebeden voor mijn moeder, die vandaag precies vijftig jaar geleden gestorven is. De Mexicaanse pater had enige moeite met de uitspraak van Wilhelmina. En hij bad ook nog voor een zekere Felicia. Dat bleek zijn eigen moeder te zijn, de precies twee jaar geleden overleden is. Ja, ook deze gebeurtenis is door Jezus voor mij veranderd in vreugde. Het heeft wel even geduurd, moet ik zeggen.

Thuis waren de kerstdagen erg gezellig. Vijftien mensen aan het eten op eerste Kerstdag in de kleine huiskamer en daar nog eens vijf kerstbomen bij rondom het kribje. In de kerk klonken weer de onsterfelijke woorden, maar ze kregen de tijd niet om in te zinken, want mijn huisartspraktijk was onmogelijk druk. Juist rondom Kerstmis lijken veel mensen nog minder raad met zichzelf te weten dan anders.

Natuurlijk is het in iedere mis Kerstmis en geen hoogfeest kan de schoonheid van de eucharistie overstijgen, maar de kersttijd is toch wel heel fijn. Nicht nur zur Weihnachtszeit … schrijft Heinrich Böll en inderdaad is dat zo. Daar gaat het met Kerstmis juist om, dat het altijd Kerstmis is. Niettemin ben ik op Driekoningen vertrokken naar de paters hier in Rome om te proberen ook een geestelijke kerstmis te ervaren. Anders lijkt het zo onaf. De sfeer is ernaar, want overal staan nog de kerstallen. In de kerken, op het station en op het Sint Pietersplein met zijn enorme kerstboom uit de Molise, een streek in Italië.

Toevallig lees ik nu het laatste boek van de paus.[i] Hij schrijft over de eerste jaren van Jezus en dan bespreekt hij ook de kerstverhalen. Ik heb me nooit afgevraagd of ze waar zijn, later erbij verzonnen of zo. Ik heb ze altijd gewoon geloofd. Ik ben nooit op het idee gekomen dat ze misschien niet waar zouden kunnen zijn. Het doet mij genoegen dat Joseph Ratzinger, theologieprofessor en paus, ze ook gewoon maar gelooft, na allerlei alternatieven besproken te hebben. Onze Koningin zei het allemaal ook zo mooi in haar kersttoespraak. Geloof, hoop en liefde besprak ze. Nee, mensen van goede wil hebben geen exegetische problemen.

De vorige paus is eens gevraagd of hij de christelijke boodschap in één zin kon samenvatten. Geen hele zin voor nodig …  zei hij … één woord  … verlossing. En in deze dagen gaat het er dan natuurlijk om voor mezelf dat woord te begrijpen, voordat ik er iets over kan schrijven. Maar schrijven over verlossing uit eigen ervaring is wel heel erg hoog gegrepen. Dat soort schrijven is sudare e morire, zweten en sterven, zoals de overste hier zegt. Want dat zou betekenen dat je een guiding star zou kunnen zijn for the anguished met de woorden van Søren Kierkegaard of a guide to the perplexed, zoals Maimonides schrijft en ook in het evangelie vindt men de waarschuwing terug, nu van Jezus aan de zonen van Zebedeus. Johannes en Jacobus willen wel naast Jezus zitten in de hemel, laten ze nota bene door hun moeder vragen. Maar daarop zegt Jezus (Mat 20,22) … zijn jullie in staat de beker te drinken die ik drink? Ja, dat kunnen wij ... zeggen die twee dan met het vertrouwen van de jeugd, blijkbaar geen flauw benul hebbend van wat hun dan boven het hoofd hangt. Zij zijn blijkbaar de seminaristen onder de apostelen.

De Verlosser komt ons redden uit de duisternis. De duisternis wordt in de mooiste beelden in die lezingen van Kerstmis genoemd. Want het drukkende juk, de stang op hun schouders, de stok van de drijver, Gij breekt ze stuk als op de dag van Midjan. Want alle dreunend stampende laarzen en met bloed doordrenkte mantels worden verbrand en verteerd door het vuur (Jes. 9,3-4). Het volk dat ronddwaalt in het donker ziet dan een helder licht, over hen die wonen in een land vol doodse duisternis gaat dan een stralend licht op (Jes. 9,1). Met die woorden wordt alle lijden van de mens aangeduid, en juist ook de vraag naar het bestaan zelf. Niet alleen de plagen die in de Bijbel genoemd staan, of die elders in de geschiedenis of in exotische landen plaats vinden, maar ook die van ons.

De vraag naar het bestaan overhoren is een teken van onwetendheid. In het Boeddhisme wordt gezegd … to be able to hear, in the stillness of the night or above the turmoil of the day, the ceaseless cry of anguish which rises from a blindly-groping, sorrow-laden world.[ii] Als je zelf al niet lijdt dan ben je dus in ieder geval te egoïstisch om het leed van anderen te zien. En op die manier heb je geen karuna, compassie, mede-lijden. En dat is noodzakelijk voor de verlichting. In het Salve Regina[iii] staat … gementes en flentes in hac lacrimarum valle … zuchtend en wenend in dit dal van tranen. Duisternis is er genoeg voor wie het wil zien en voor wie eerlijk is tegenover zichzelf. Alleen het verband met Kerstmis, de verlossing, die is moeilijk om zelf te beleven, laat staan om ze  in woorden uit te drukken.

Hoe dat zwarte zonder veel omhaal in licht kan veranderen, dat lijkt alleen in beelden te kunnen worden gezegd. En het is bovendien haast ongelooflijk dát het gebeurt. De herders zaten midden in de nacht bij hun kudden in de velden van Efrata bij Bethlehem. Aan hun verschijnt een hemels legioen van engelen, dat hun de oplossing van de vraag van de mens verkondigt. Er is een verlosser geboren. Gloria in altissimis Deo et in terra pax in hominibus bonae voluntatiseer aan God in den hoge en vrede op aarde aan de mensen van goede wil (Luc. 2,14) … vertaalt Hiëronymus van Bethlehem tegen het einde van de vierde eeuw. Later is dat op een of andere manier geworden tot het Gloria in excelsis Deo op de banier van de engel in onze kerstgroepen. Moderne vertalingen zeggen dat bonae voluntatis anders. With whom he is well pleased, in Wie Hij welbehagen heeft. Mij bevalt Hiëronymus beter, omdat hij spreekt over mensen van goede wil. Dit klinkt poëtischer en wij hebben het nu eenmaal altijd zo gezegd. De paus vindt de vertalingen allebei niet goed, de ene omdat ze teveel op de mens leunt en de andere teveel op God. Joseph Ratzinger wil graag het mysterie behouden tussen genade en wil. Theologisch en taalkundig is dit zeker scherper, terwijl het oorspronkelijke Grieks (eudokias) ook in dit mysterievolle midden staat, maar poëzie haalt voor mij wel de scherpe kantjes van theologische onvolkomenheden af.

Het duistere in het bestaan is er dus en er komt een verlosser die ons redt. Hij verlost je uit alles wat je zelf als zwart en onoplosbaar ziet. Juist uit het aller onmogelijkste, de Gordiaanse knoop in je bestaan. De verlossing is er voor alle mensen en een andere is er niet. Daar laat de tekst geen twijfel voor open. De Blijde Boodschap is er voor iedereen die van goede wil is. Voor de herders, de gewone mensen, maar ook voor de wijzen uit het Oosten die de ster van Bethlehem volgden. Zij hadden hun hele leven gezocht naar de waarheid, naar antwoorden op de diepste vragen van het mens-zijn. En ze hadden ze niet gevonden. De ster leidt hun naar Bethlehem met het pasgeboren kindje … en op hun knieën neervallend betuigden zij het hun hulde (Mat 2,11). Na hun levenslange geploeter om de waarheid te vinden - en het onvermijdelijke lijden dat daarbij hoort- vallen zij op hun knieën voor een kindje.

Dus alleen goede wil wordt van ons mensen gevraagd. Kennis en zoeken met je verstand leiden tot niets. Als je een kwade wil hebt, doet de gebeurtenis in Bethlehem je ook niets. Maar de komst van Jezus leidt bij mensen van goede wil tot adoratie, aanbidding, en een grote vreugde (Luk. 2,10). Bevend van ontzag en verwondering, boog Arjuna zijn hoofd, en zijn handen vouwend in aanbidding sprak hij zó tot zijn God ... zegt de parallel bij de Hindoe in de Bhagavad Gîtâ. De drie koningen brengen geschenken mee, goud, wierook en mirre. Ze wachten zich er wel voor de vruchten van hun levenslange denken te geven, want die verbleken hier. Deze gebeurtenis stelt alles in de schaduw. Daar schoten drie stralen dooreen ... zoals het oude kerstliedje gaat. Die vreugde om de komst van Jezus verdrijft alle duisternis. Maar dat is geen beeld meer. Dat is de onwankelbare stelling. 

Hoe redt hij je? Dat worden dan de grote woorden uit het latere leven van Jezus, waarvan liefde het grootste is. En als je zijn liefde en de vreugde over hem even niet voelt is er geloof en hoop. Niets anders kan ertussen komen, zelfs de zonde niet, als je van goede wil bent. Er is een verband van het midden, van het gewone, met de vreugde van Kerstmis. Het uiterste bereikt ze niet. Dat is een mysterie. Kerstmis kun je niet verdienen en het ook nooit onwaardig zijn, als je van goede wil bent. Christus is niet aan de besten verschenen, maar aan kinderen, zieken en zondaars. Ja, bij al het andere is Kerstmis een spectaculaire vereenvoudiging van het leven. A simple yes and the thing is done … zegt Epictetus al. Jezus wordt een trouwe vriend die ons nooit in de steek laat, onze eeuwige mede-pelgrim. In de donkere gang is er altijd de lichtende kier onder de deur. Zoals het licht het ook altijd wint van de duisternis, is de vreugde ook een zijn dat al het andere zijn verdringt. Zij is geheel verschillend van al die andere vormen van zijn, categorisch anders, zou Aristoteles zeggen. Deze vreugde wint het van alles. Een martelaar moet eigenlijk veel vreugde voelen, anders is het geen echte martelaar. En dat is om de vreugde van Kerstmis. Stefanus zag de hemel open, toen ze hem stenigden, en zijn feestdag is tweede Kerstdag. Het zijn beelden, ja, maar blijkbaar zijn zij de enige wegwijzer naar een werkelijkheid die waar is. Jezus wijst een weg, waarvan Jesaja zegt … alleen verlosten gaan erover (Jes. 35,9), als hij spreekt over de weg naar de hemelse stad Jeruzalem.

De rector van de Sant’Andrea della Valle - de kerk van de paters - en ik zitten aan het Campo dei Fiori, de bloemenmarkt, bij de kerk om de hoek, achter de Peroni Rosso, een roodachtig bier. We kijken uit op het standbeeld van Giordano Bruno, een geleerde die door de kerk hier is verbrand wegens foute denkbeelden. De vorige paus heeft zich er nog voor verontschuldigd. De marktkooplui, die tegenover ons hun waar aanprijzen, moeten hard weken voor de kost, net als de kelner die de stufa voor ons aanmaakt. Dat is de terrasverwarmer die met butagas gestookt wordt. Hij kwam net nog met een nieuwe fles op de schouders aangelopen. Nu brengt hij ons wat bruschetti, geroosterd brood met lokale patés en gemarineerde tomaten.  

Wat heb ík eigenlijk om naar het kribje te brengen? Laat ik het houden op de kerstbomen en het stalletje thuis. Daar doe ik veel werk aan. Dagenlang. Ook dit jaar weer. Als symbool van mijn eenvoudig geloof. Dat heb ik van jongs af aan altijd proberen te bewaren. Terwijl als sluitstuk tenslotte het jezuskindje in de stal werd gelegd, heb ik In ogenblikken van te biechten vermetele overmoed wel eens uitgeroepen … hier kun je aan zien dat het echt gebeurd is. Op het Sint Pietersplein staat de stal een beetje aan de zijkant van een Middeleeuws, Italiaans stadje. Prachtig hoor, maar bij mij staat de stal met het kribje in het midden. De blik wordt er meteen naar toe getrokken en de lichtjes worden steeds witter naar het Jezuskindje toe. Geelwit eigenlijk. En binnenin echt stro en echt hooi. Je ruikt het in de kamer, vermengd met de geur van de dennen. Ja, met dit geschenk mag ik er komen. Dat is goede wil genoeg en dan ben ook ik verlost.

De Wijzen uit het Oosten, zeg maar Zen, geven geen antwoord aan de mensen hier op de markt en aan ons achter het bier. Zij verheffen hun bestaan en het onze niet tot zo’n heiligheid, zoals Jezus dat deed. Zen geeft ons geen antwoord, maar Jezus wél. Voorbijgaand aan alle schatten die de wijzen ons brengen hebben zij de laatste stap toch niet gezet. Zen weet alles, al was het maar dat we niets weten, maar het gaat niet met een geschenk naar het kribje. En de laatste stap is dat Jezus te midden van ons geboren werd. Hij is hier nu, op deze plaats. Het licht waar Jesaja over sprak schijnt nu, op dit ogenblik, hier op ons. En wij herkennen Hem onmiddellijk, over alle diepten van ons leven heen, over de krochten van de tijd, aan zijn aanschijn dat ons meer eigen is dan wij zijn aan onszelf, de eeuwig beminde van wie het bestaan ons zo lang verborgen bleef en boven wie de ster van Bethlehem stil bleef staan. Dat is een vreugde die ons nooit ontnomen zal worden.

Zijn jullie allebei priester … vraagt de kelner. Hij wel maar ik niet … zeg ik. Dan krijgt hij korting en U niet. Ik acht euro voor de Peroni Rosso en hij vier. Wel heb je ooit. En ik mag doodvallen als hij ooit een voet over de drempel van een kerk zet. Maar goed, dat is juist wat ik wil zeggen. Met al hun weten, met de schaterlach van Satori, zouden de Wijzen uit het Oosten hier toch niet het bier voor de helft van de prijs gekregen hebben.  Quod erat demonstrandum … ( en dat is juist) wat aangetoond moest worden … zeg ik dan maar met de wiskundige en betaal natuurlijk de hele rekening. Dat ook nog.

Wim Beurskens



[i] Deze column is geschreven vóór de abdicatie van de paus.

[ii] Christmas Humphreys Buddhism Londen 1951, blz 82.

[iii] Beroemd Marialied.