I Vertroosting

Bij de zuster, die vele jaren mijn ziekenzuster in het klooster was, beklaag ik me dat ik zo weinig vertroosting voel. Dat is een term uit het spirituele leven, waarbij degene die bidt ogenblikken van gelukzaligheid heeft. Alles zit goed, alles is in orde.  Maar zelfs nog meer dan dat. Bernard van Clairvaux schrijft in een preek over het Hooglied … zo is het dat de bruidegom ( Jezus) bij je komt, terwijl hij zegeningen met zich meebrengt in een overvloed van verlossing. Allen die maar bij Hem in de buurt komen lopen over van genot, met een onmetelijke vreugde over de mysteries van de verlossing ( Sermo 57). En om dan nog maar te zwijgen over de ervaring van de liefde kortweg, die veel mystici hebben gehad. Datgene wat niet onder woorden te brengen is, het hoogste van alles.

Mijn gezondheid is zo slecht dat ik heb moeten stoppen met mijn werk. En de rij bidprentjes die van de laatste jaren op de schoorsteenmantel staat omvat bijna iedereen die mij na stond op mijn werkadres en mijn woonadres. Het huis is nu leeg.  Als je maar niet denkt dat ik je zielig vind …. roept een goede vriend. En op het einde van het telefoongesprek … zo, nu ga ik nog een paar van die zieligen bellen. Ja, dat is me wel duidelijk, ik mag niet de fout van Job maken, in opstand komen tegen God. Dat weet ik wel, maar een klein beetje vertroosting mag toch wel af en toe. Dat had ik gedacht.

De ziekenzuster, slotzuster, zegt als antwoord op mijn klacht – en ik voel het al aankomen - … we zijn hier op aarde om Jezus te helpen het kruis te dragen. En dat zegt Thomas à Kempis ook … als je het kruis omarmt heb je het paradijs op aarde gevonden.  Geluk zit hem er dus in dat we Simon van Cyrene mogen zijn. En wat heb ik te klagen over de afwezigen? Ze zijn toch allemaal in de hemel, bij God. En Die is ons meer naderbij dan onze halsader, staat er in de Koran. Zij zijn mij dus ook naderbij dan ooit. Wat heb ik te klagen?

Afgelopen zondag is de familie op bezoek waaronder de kleine Noah, twee jaar en enkele maanden. Hij spreekt elke dag beter, maar soms versta je hem nog niet zo goed. Iedereen heeft een levend wezen in de buik, zo gaat het ineens rond aan de tafel. De één een spin, zijn moeder een nieuw broertje. En wat heeft Wim in de buik? Jezus … roept hij kraakhelder en zonder één ogenblik van aarzeling. Nu, en dat helpt toch.