Column Beurskens: De Himalaya’s van de ziel

In deze tijd is de Ardh Kumbh Mela in Allahabad aan de gang, een grote religieuze gebeurtenis voor miljoenen Hindoe’s. Het doet mij denken aan mijn eigen bezoek aan Benares, het huidige Varanasi. Het was een vroege, frisse morgen dat wij daar naar een aanlegsteiger aan de Ganges liepen. Er lagen werkelijke talloze heilige koeien op de stoffige weg en zo in de buurt van de oever was er geen verkeer. Verderop brandden al verschillende crematievuren. Mensen in een lendendoek stonden aan de oever of waren bezig een bad in de Ganges te nemen. De zon was net op en het morgenlicht gaf het tafereel een staalblauwe, mysterieuze schijn. De Ganges is erg breed in Benares en hij had die morgen een loden kleur. Hij stond hoog en de stroming was snel, zodat het bootje niet ver van de kant af kon.
Daardoor waren wij wel erg dichtbij de mensen, die tot aan hun middel in het water stonden, soms maar enkele meters. Het had iets ongepasts, maar het scheen de mensen in het water niet te deren. Zij lachten vriendelijk naar ons. Eén van hen die bij ons waren zei deze mensen zijn misschien gelukkiger dan wij. Dat zou best kunnen en in ieder geval duidden deze woorden op de enorme afstand tussen ons en die mensen daar in het water. Degene die de woorden sprak had tenminste nog een besef van die afstand.
Hetzelfde gevoel van vervreemding kreeg ik, toen ik de lezer van het journaal enkele dagen geleden hoorde spreken over het Ardh Kumbh Mela. Het massamedium is zeker niet in staat ook maar iets van die vervreemding op te lossen. Dit onbegrip is kenmerkend voor onze westerse consumptiemaatschappij. Zij heeft geen flauw benul, maar ook vanuit een katholieke achtergrond lijkt het moeilijk devotie te krijgen in de veelkleurige hindoe-tempel, waar de apen je om de oren springen. En de Hindoe’s hebben immers veel goden en dat staat toch in flagrante tegenstelling met ons geloof in één God. Dan is het nog gemakkelijker iets gemeenschappelijks te voelen met de Islam, die immers gelooft in dezelfde God.
Inderdaad, de uitingsvormen van andere godsdiensten zijn soms vreemd. Het is te vergelijken met een berg. Aan de voet ervan kun je andere mensen, die dezelfde berg bestijgen, niet vinden. Je moet door ravijnen en bossen aan de voet van die berg. Het is haast onmogelijk die anderen te vinden. Je kunt beter omhoog gaan, want boven kom je elkaar altijd tegen. Dat is toch mijn overtuiging, dat we tenslotte allemaal op de top van de dezelfde berg uitkomen. En door de vele goden van de Hindoe heen schemert toch de ene Brahman. Je zou de goden van de Hindoe kunnen zien als onze profeten en heiligen. De Hindoe, die bidt om licht, bidt om hetzelfde licht als wij ... bijvoorbeeld in de beroemde gayatri ...
Tat savitur vareniam
Bhargo devasya Dhimahi
Dhiyo yo nah pracodayat

Let our meditation be on the the glorious light of Savitri. May this light illumine our minds. Ikzelf sta erg in het krijt bij het Hindoeïsme, en met name door één tekst, de Bhagavad Gîta, het wel belangrijkste hoofdstuk uit de Mahabharata. Excursies naar het Oosten hebben mij heel erg geholpen wat meer te begrijpen van moeilijke, maar absoluut wezenlijke, spiritualiteit in onze eigen traditie. De imitatio Christi van Thomas à Kempis bijvoorbeeld. Het is het meest gedrukte boek uit de geschiedenis na de Bijbel. Je kunt haast niet katholiek zijn zonder de Imitatio. Maar het is ook vreselijk moeilijk te begrijpen. De aller moeilijkste thema’s uit de diepste diepten van de menselijke psychologie komen er in voor. Over Thomas schrijft de chroniqueur van het klooster als hij sterft ... he understood admirably how to comfort those afflicted by interior trials and afflictions. Ik had er nooit wat van begrepen, laat staan dat ik hem ooit zo mooi had gevonden, als er niet de Bhagavad Gîta was geweest. Die gaat over dezelfde thema’s, over het wezen van de mens, over de Himalaya’s van de ziel, maar in andere woorden. En die nieuwe woorden werpen een wonderbaarlijk licht op die soms somber lijkende teksten van de man uit Kempen. Een raar idee dat één van de allergrootste mensen uit de Christenheid maar van een paar kilometer hiervandaan komt en tevens zo gewaardeerd wordt door de Hindoe en de Boeddhist. Maar Thomas à Kempis, die nooit zijn klooster in Zwolle uit is gekomen, die had er wél wat van begrepen daar die morgen op de Ganges en hij had er zeker ook een bad genomen op deze heilige plek.
Ik ben eens naar Zwolle gegaan op bedevaart naar zijn graf. Ik vond het in een nieuwe, behoorlijk lelijke parochiekerk in de vorm van een houten kistje ergens aan een zijmuur, niet eens in een eigen kapel. De kerk was niet open en ik moest erin via de pastorie. Diegene die open deed vond het niet vreemd dat er iemand naar dat kistje heen wilde. En inderdaad, de grootheid van Thomas à Kempis wordt door niemand in twijfel getrokken, ook niet door de kerk, hoewel zij hem niet heilig heeft verklaard, omdat naar men zegt, toen voor de eerste keer zijn kist werd geopend, het lichaam niet netjes recht lag, waaruit men afleidde dat hij wellicht schijndood was geweest. En God weet wat er toen nog voor woorden over zijn lippen gekomen zijn.
Arthur Schopenhauer zat met hetzelfde probleem als ik. Voor hem was ook ongetwijfeld de hele christelijke literatuur toegankelijk, maar hij begreep er niet veel van, laat staan dat hij haar geloofde. Hij schreef ... die Welt als Wille und Vorstellung, een perfecte diagnose van de hopeloosheid van de menselijke conditie -echt iets voor de intellectueel van de negentiende eeuw, die dan ook aan zijn lippen hing-, maar aan een oplossing kwam hij in dat boek niet toe. Hoe hij zich voelde staat in de Gîta ... life goes from my limbs and they sink, and my mouth is sear and dry; a trembling overcomes my body, and my hair shudders in horror. My great bow Gandiva falls from my hands, and the skin of my flesh is burning; I am no longer able to stand, because my mind is whirling and wandering. De wereld was maar wat de mens zich inbeeldde, een resultaat van de wil van de mens. Later echter schreef Schopenhauer over de heilige klanken in de Indische Veda’s ... sie sind die Trost meines Lebens geworden.
Inderdaad, op de top van de berg komen we elkaar allemaal tegen. En die top van de berg is ook het diepste binnenste van de mens. In de woorden van Rabindra¬nath Tagore, de dichter uit Bengalen, die zich soms naar het midden van een meer liet roeien en daar uren bleef mediteren ... mijn reize neemt lange tijd, haar weg is lang. Ik reed uit op de wagen van de dageraad, en vervolgde mijn tocht door de wildernissen van werelden, latend mijn spoor op vele zonnen en planeten. De verste gang brengt het dichtst bij uzelf, en de ingewikkeldste oefening voert tot de hoogste eenvoud ener melodie. De reiziger moet aan iedere vreemde deur kloppen om zijn eigene te vinden, en men moet de uiterste werelden doorkruist hebben om het innerlijkst heiligdom te bereiken. Mijn blikken zwierven ver en wijd eer ik de ogen sloot en zeide: Ahier zijt Gij.
Menige jonge mens van deze tijd zou er toch heel veel beter aan toe zijn als hij ook maar begon te geloven wat hier staat ... no step is lost on this path, and no dangers are found. And even a little progress is freedom from fear. En als hij eens kon denken met Rabindranath Tagore over zijn gevoelens ... langs welk duister strand van de inktzwart vloed, langs welke verre rand van het dreigende woud, door welke diepe doolhof van somberheid schrijdt Gij voort, mijn vriend! Om tot mij te komen?
Mijn eigen schuld aan de Bhagavad Gîta is niet in te lossen dan door devotie, bijvoorbeeld als ergens Krishna ( God) zegt tot Arjuna There is a war that opens the doors of heaven, Arjuna! Happy the warriors whose fate it is to fight such a war. Veel van de gevoelens van jonge mensen worden in het Westen gezien als ziekten en stoornissen van de stemming, in het Oosten en in de hele Christelijke literatuur als even zo vele opdrachten en aankondigingen van heil door Hem die altijd naar ons zoekt met de woorden van Jesaja ... nog vòòr zij roepen zal Ik hen antwoorden, terwijl ze nog spreken zaI Ik hen verhoren.
In de Taittiriya Upanishad gaat Bhrigu naar zijn vader en vraagt hem het mysterie van Brahman [God] te verklaren. Deze stuurt hem uit bidden. Bhrigu komt steeds terug met een ander resultaat. Dàn ligt het mysterie van God in de geest, dàn in de rede, dan in het voedsel van de aarde, dan in het leven zelf. Bhrigu komt steeds terug dan denkt hij dit dan denkt hij dat, maar de laatste zin gaat zò ... so Bhrigu went and practised tapas, spiritual prayer. And then he saw that Brahman is joy: from joy all beings have come, by joy they all live, and unto joy they all return.

¬¬