Column: Kerstmis 2007

Op RTL wordt de kerstoptocht in Almere aangekondigd. Lichtende praalwagens met buigende kerstmannen en donkere stemmen. Het geloof is niets voor de marge van het leven, inderdaad. Het levert een kijk op de werkelijkheid, die alles doordringt. Ook op de hele dagelijkse wereld, altijd en overal. Ook als het niet over geloof gaat. Ik kan het dan ook niet meer aanzien, de media, en de winkelstraat mijd ik als de pest. Ik ren met mijn wagentje zo vlug als ik kan door het tuincentrum. Ik heb toch die kerststerren en skymnia’s nodig voor bij mijn kerstbomen. Alleen heb ik te doen met de mensen achter de kassa. Dat ze zo aardig zijn, terwijl ze er de hele dag zitten. Daar sta ik toch van te kijken.
Laatst heb ik me laten verleiden de Da Vinci-code te zien. Dat de mens van onze tijd zin en onzin niet uit elkaar kan houden, à la bonheur, maar het gaat toch het voorstellingsvermogen te boven, dat zoiets als deze film loopt. Het gepraat over klimaatsverandering, de politiek, veel in de geneeskunde, mijn eigen beroep, alles druipt van de ideologie en het bijgeloof. Deze week had ik een nascholing over stoppen met roken. Het had niet veel gescheeld, of ik was er alsnog mee begonnen, terwijl ik nog nooit een sigaret heb aangeraakt. Balkenende wordt gevraagd of hij de ouders van kinderen, die de komende jaren zullen sneuvelen in Afghanistan, kan garanderen, dat het zin had. Hij zegt ja.
De mensen van oude tijden trokken zich dan uit de maatschappij terug. Zij ergerden zich niet op de wereld en werden er niet depressief van. Laat de wereld met zijn hol geschetter achter je. Benedictus maakte zich hele tijden van zijn leven niet zo’n zorgen om de medemens. Hij had de handen vol aan zichzelf. Daarom ging hij ook weg uit de wereld. Teresa van Avila stichtte een beschouwend kloosterorde om te zoeken naar het wezen van het bestaan. Beschouwende kloosterlingen sluiten zich niet op om er zelf niet uit te kunnen, maar om de wereld er niet in te laten. En van lieverlee konden zij tenslotte toch wèl weer heel wat doen voor de mensen.
Zo gezegd, zo gedaan. Dat wil ik dus ook. Ik trek me uit de wereld terug en ga mijn eigen ding doen. Door de drukte heen zal ik mij mijn eigen, spirituele Kerstmis organiseren. De oude teksten lezen. Psalmen die over hoop spreken, de weergaloze schoonheid van Jesaja en natuurlijk de kerstverhalen zelf bij Matteüs en Lucas, die ik zo mooi mogelijk probeer uit de beelden onder de kerstboom. En dat is weer gelukt dit jaar, al zeg ik het zelf. Je kunt eraan zien dat het echt gebeurd is. En dan die eerste regels van het evangelie van Johannes, waar ons wordt aangezegd, dat we kinderen van God kunnen worden. Dat zijn de woorden die de mensen door de tijden heen licht hebben gebracht. Ik heb een CD met kerstliederen van Jessye Norman op staan. De ijle tonen van vreugde, die de mens voor zich uit zingt, als hij na de grootse stormen van het leven het laatste baken passeert en de haven in zicht krijgt met de hemelse rede in de verte. Fantastisch. Dit is méér dan sfeer en romantiek. Dit gaat ergens over. Dit is echt.
Zo’n voornemen had ik, totdat zich er ineens een onverwachte bezoeker uit Leuven aandiende. Alles zit haar tegen. De studie loopt niet. Grote problemen met de gezondheid. De psychiater gaat in het nieuwe jaar aan het werk. De medicijnen zijn al voorgeschreven. Zij heeft niemand. Haar eenzaamheid is verstikkend tastbaar bij ons onder de kerstboom. Het drukt op het hele gezelschap. Zelfs mijn agogisch handige nichtje krijgt niks op gang en gooit de handdoek in de ring.
De bezoeker is van ontzettend goede wil. Zij wil zo ontzettend graag meedoen. En zij heeft er zo ontzettend veel recht op. Ik herinner mij een weeskindje vroeger, dat bij onze achterburen te logeren was. Goede mensen, die altijd zoiets deden. En die stuurden haar naar ons toe om te spelen. Dat vonden wij griezelig, zo’n weeskindje. Ik zie haar nog staan -en dat beeld vergeet ik van zijn leven nooit meer- aan de andere kant van het hek, met de handen aan de tralies. Verongelijkt en verdrietig.
Ik breng de bezoeker ‘s avonds terug naar de trein. O, het is een dubbeldekker ... zegt ze, als de trein vanuit het donker binnen dendert. Ik zie haar nog lopen en een plaats zoeken bovenin. Ze kijkt niet meer naar me, als de trein zich in beweging zet. Langzaam verdwijnen de rode lichten in de verte. Als ik het station uit loop, hap ik naar de adem. Wat moet zo’n kind ... denk ik bij mezelf. Nee, dat kun Je niet toelaten. Ze heeft geen kans. En alleen Jij kunt er iets aan doen. Ik denk aan Jesaja. ... Ik laat Mij zoeken door hen die niet naar Mij vragen, Ik laat Mij vinden door hen die Mij niet zoeken. ‘Hier ben Ik, Hier ben Ik’ .
Eén van mijn patiënten ligt vlak voor Kerstmis te sterven in het verpleeghuis. Nu moet er wat gebeuren ... zegt ze. Ik hou het niet meer vol. Hier heb je een afbeelding van pater Karel Houben. Die is pas heilig verklaard. Ik zeg ... dan zullen we maar een noveen houden, want in het verpleeghuis heb ik niets te zeggen. En zij ... je moet juist deze afbeelding gebruiken. Daar heb ik wat mee gedaan. Ingestraald. Zij zat erg in het paranormale en heeft op die manier heel veel voor mensen gedaan. Ik heb vaak mensen naar haar toe gestuurd en zij hielp mij ook. Op de negende dag ben ik nog eens gaan kijken. Ze was nog helemaal helder, maar ik zag dat het niet meer lang zou duren en de volgende dag is zij gestorven. En nu is zij met Kerstmis in de hemel. Ieder mens krijgt bij zijn aankomst in de hemel een applaus ... zei ze laatst. Dat van haar zal nog wel niet afgelopen zijn, want zij was een echte.
Een oude, Duitse militair vertelde over die Kerstmis in Stalingrad in zijn jonge jaren. Hij had daar natuurlijk niets te zoeken, maar het was hem ook maar overkomen. Die winter in de ketel van Stalingrad was van een zeldzame gruwelijkheid, één van de ergste feiten uit de Tweede Wereldoorlog, maar met Kerstmis had hij een boog van licht gevoeld naar Duitsland toe, naar zijn familie, in de kraakheldere, ijskoude nacht. Het was de mooiste Kerstmis uit zijn leven. En dat is niet alleen maar sfeer. Zoals het ook niet alleen maar sfeer was, toen in de Eerste Wereldoorlog ooit een keer met Kerstmis de soldaten uit de loopgraven kwamen en kerstliedjes met elkaar zongen.
Bij ons, in het kerkje in Asselt kun je met versieringen sfeer maken. Het is een kerk voor op een kerstkaart. Van buiten en van binnen. Vanmorgen stonden ze te overleggen, of een bepaalde rode lap nu wel of niet op het altaar thuis hoorde. De één vond het te druk worden, de ander vond hem erbij horen. De kerstversiering zag er al prachtig uit met zijn weelderige bloemstukken. Dit is zover als het kan gaan om van een ruimte een heilige ruimte te maken. Dit is werkelijkheid ... dacht ik ... al gaat het maar om een rode lap. En als we vanavond vanuit de sacristie over het oude kerkhof van achteren de kerk binnenkomen, zal de aanblik de monumentale gebeurtenis waardig zijn.
Een engel uit Leuven was dat, die mij aanzei, dat ik mij gedraag als een Scrooge met mijn spirituele Kerstmis. Dan wordt het iedere dag maar laat. Je moet er wat aan doen ... zeggen de assistentes. Dit hou je niet vol. Ik mag blij zijn, dat ik dit werk mag doen. Het is vaak een kruis, maar meer nog een genade. En met beide moet de mens blij zijn. Dit is mijn Kerstmis. En die teksten, die krijg ik tussendoor ook nog wel gelezen. Nee, defaitisme is een zonde. Een Christen moet hoop hebben. Ja, dàt is ook Kerstmis, een haast gewelddadige en verpletterende hoop dóór alles heen. Vreugde waar de mens alleen het zwarte voelt. Licht in het absolute duister, onverwachts en wonderbaarlijk. Voor iedereen. Als er ook maar één student ergens op zijn kamer zit te treuren met Kerstmis ... het is voor Jou een kleinigheid haar te helpen. Hoeveel mensen zullen niet naar Karel Houben getrokken zijn daar in Dublin, voor wie er ook geen hoop meer leek te zijn? Jesaja voorspelt het al ... nog vóór zij roepen zal Ik hen antwoorden, terwijl zij nog spreken zal Ik hen verhoren.
In Asselt zongen we op de laatste zondag van de Advent het rorate coeli. Dauwt, hemelen, van boven, en laat de wolken regenen de Gerechte. Dat wil ik ook voor al die lijdende mensen, die zelf geen uitweg zien en die niet eens zoeken. Dat Rorate Coeli, daar heeft die bezoeker uit Leuven recht op. Jezus, jij bent een ster, die een licht is voor de angstigen ... zei Søren Kierkegaard. Het enige licht dat hier nog kan stralen is de ster van Bethlehem. Bij mijn spirituele tour valt mijn oog op het stadsgezicht van Toledo door el Greco. Het is van een geheimzinnige schoonheid. El Greco schilderde niets zomaar. Zou hij het als een soort Bethlehem hebben bedoeld? Met de groene velden van Efrata op de voorgrond?
Er is niemand uitgesloten van Kerstmis. En dat onmogelijke hoop ik nu ook, dat het ook Kerstmis wordt, voor hen voor wie ik geen raad meer weet. De mens kan aanspraak maken op niet veel in het leven behalve op dit allerhoogste. Hij kan over geen enkel lijden in opstand komen tegenover God, maar dit ene, daar heeft hij recht op, dat hij kind van God wordt. Hij wordt weerloos, maar hij krijgt dan ook toegang tot de vreugde, die door niets meer aangetast kan worden. Dat zal straks mijn bidden zijn in de nachtmis. Er is alleen optimisme mogelijk, als je kunt bidden. Maar die vreugde is dan ook onverwoestbaar. Ook dat komt door Kerstmis. Jezus is de vervulling van het eeuwige heimwee van de mens naar zijn bestemming. Hij was werkelijk een ster, een superster. Hij is de Verlosser, omdat Hij de sluitboom, die de mens weerhoudt van de vreugde, voorgoed verbrijzelt. Gij breekt hem stuk als op de dag van Midjan ... zo zegt Jesaja in de nachtmis. Zalig Kerstmis.

Afbeelding: Toledo, schildering door el Greco.