Passiespelen 2010 (recensie van de voorzitter)

Fotografie:Pascal Moors

Tekst: Wim Beurskens

Het klappen begint te vroeg vandaag. Lazarus moet een goed heenkomen zoeken voor de aanstormende jeugd, die opkomt op de cue van het applaus. De klokken van de kerken zijn daarom nu maar af en toe even te horen boven de ovatie uit. Anders lijken zij eerst nog instemmend hun zegen te willen geven over dit passiespel, dat met de monoloog van Lazarus ten einde gedenderd is. Maar het applaus van de duizenden mensen is nog geestdriftiger dan gewoonlijk en het zwelt aan als de sterren van het spel opkomen.

Wiel Kusters, de schrijver van het passiespel, en ik lopen naar de toneelingang. Daar worden we met nog zo'n honderd anderen tegen gehouden, omdat de spelers eerst hun emoties de vrije loop moeten kunnen laten, als ze voor de laatste keer van het toneel af komen. Een tijdperk in hun leven is ten einde. Hoor ik daar eigenlijk niet bij? ... vraag ik me af. Maar tenslotte kunnen we toch door. De korte toneelingang is weer eens versperd door een poel water. Dus moeten we omlopen.

Verstikkende hitte, als het hete zand metershoog opstuift en als een glinsterende wolk boven de spelers oplicht in het felle licht van de zon. Donker weer ook, storm met omgevallen bomen en het theater bezaaid met takken en bladeren. Maar goed dat we zoveel licht hadden hangen. En er was tevens de processierups met ontstoken ogen en lijven vol jeukende pukkels. Eindeloze repetities iedere dag tot middernacht bij zeven graden in de regen, tot twee dagen vóór de première. Rillend bij het drankwinkeltje in het donker, maar nog niet naar huis kunnen gaan. En die ene voorstelling dat het hard regende van begin tot einde. Jezus twintig minuten in het graf tot aan zijn knieën in het water. Ze hadden hem zien zitten vanaf de zolder van de tempel, vanwaar ze de witte doeken neer moesten laten. De sfeer is er nooit minder om geweest. En dat lef om zo'n première op het toneel te zetten voor duizenden mensen en de Koningin. Daar kan ik nog steeds niet over uit.

Straks moet ik een toespraak houden. Dan ga ik zeggen, dat er iets meer dan 46.000 mensen de spelen hebben bezocht. Dat is erg veel, als je bedenkt dat er geen generatie meer is die iets met kerk heeft en misschien ook niet veel met geloof. Het zijn er 12.000 méér dan in 2005 en er waren veel meer jongeren. De drempel naar de nieuwe tijd lijkt genomen. Ik ga de spelers ook zeggen ... en wat we ervoor terug krijgen is met geen geld te betalen. We zijn deze zomer allemaal zwaar overbetaald en we vertrekken hier met een schandalige gouden handdruk. Ja, de spelen van 2010 waren een groot succes. Hoe komt het dat zo veel mensen het zo mooi vonden? Terwijl de spelen meer dan ooit gelovig waren, ongegeneerd gelovig zelfs.

De huidige Passiespelen zijn ontdaan van alle gangbare duiding. Dit komt door de tekst van Wiel Kusters en een regie van Cees Rullens die dat nog versterkt. Kusters spiegelt zijn tekst aan het evangelie van Johannes, het evangelie dat zelf maar heel weinig duidt. Het beschrijft geen weg en geen leer. Hoogstens kun je zeggen dat het de weg is. Het is het evangelie dat zonder woorden zegt dat wat het wil zeggen niet gezegd kan worden. Daarom is het wel het meest mystieke van de evangelies genoemd. De mystieke trek van het evangelie is door de dichter versterkt met het middel van de poëzie.

De tekst van Wiel Kusters bevat geen boodschap, geen catechismus, geen leerstelligheid. Hij voegt zich in het postmoderne besef, dat van betekenis niets over te dragen is. En dat zit hem in taal, want de mens is taal. Immers, de taalloze mens is niets, hij kan niet eens denken. Er is geen zekerheid in taal. Het is geen voertuig naar kennis. Tekst is maar iets wat een toevallige lezer ermee heeft. Absolute waarheden zijn er nooit in te vinden. Een stapel etiketten blijft er over die geen zinvolle relatie hebben met de zaak waar ze opgeplakt zijn. Wat de filosoof in zijn studeerkamer bedenkt is nog tot daar aan toe, maar zo'n besef dat de werkelijkheid niet meer te beheersen valt met de begrippen waar we mee zijn opgegroeid leeft ook bij de gewone mens. Een vervreemding van de werkelijkheid, zoals ze is, volgt daaruit en dit vormt een bron van lijden in het alledaagse leven. Dokters hebben steeds meer te doen, en zeker ook de dokters van de geest.

De werkelijkheid is nooit in taal te vatten ... zegt de filosoof, en komt zo tot zijn sombere analyse van het gebroken bestaan. Wat is waarheid ... roept Pilatus uit. Een retorische vraag die het postmoderne antwoord al geeft ... er is geen waarheid. Er is een fataal gebrek aan kennen in de mens ... zegt de filosoof en spreekt daarmee voor overal en voor alle tijden. De gebrokenheid van velen zetelt niet in de geestelijke zwakte van de loser, zoals vaak wordt gedacht, maar in de vervreemding die doordringt in alle kennen en in alle betekenis. Dit inzicht van de filosoof is een schok die onze wereld nog maar te boven moet zien te komen.

Duiding in taal, die duidt nooit echt wat. Het zijn maar "grote woorden" zonder betekenis. Op de keper beschouwd mummelen we allemaal maar wat en als de tijden veranderen, - dat kan van vandaag op morgen zijn -, mummelen we wat anders. En dan snappen we niets meer van het gemummel van gisteren en denken dat we het gemummel van vandaag wél begrijpen, wat ook niet zo is. Taal is bruikbaar voor het hier en nu en daarmee houdt het zo'n beetje op. Praten over betekenis is niet mogelijk. Zin is er niet, want er kan niet over worden gesproken. Taal beweegt zich binnen de zeepbel van de mythe die toevallig heerst. Daarom weet Johannes - en Kusters heeft dat dankbaar aangegrepen - dat hij niet kan zeggen wat hij wil zeggen.

De mensen krijgen in ons spel die oude begrippen dus niet meer voorgeschoteld. Want wat niet gezegd kan worden, wordt niet gezegd. Er zijn nergens grote woorden in te vinden. Kusters vermijdt surrogaatbetekenis. Soms probeer ik het spel totaal blanco te volgen, alsof ik voor de eerste keer met het verhaal in aanraking kom. Dan bekruipt mij het akelige gevoel ... waar gáát dit eigenlijk over? Dit gaat nergens over! Bij een enkele toeschouwer heb ik zoiets ook wel eens bemerkt. Soms is er niets, nul, niente. En dan zijn we ver genoeg.

There are no problems, only challenges ... moet Rullens hebben gedacht, want juist dit onvermogen tot duiding grijpt hij aan voor zijn dramatische vuurwerk, méér nog dan bij de verbeelding van bijvoorbeeld een ander doodstrafproces, of het nu van een schuldige of van een onschuldige is. Immers, er worden nog steeds mensen onschuldig veroordeeld en menigeen moet naar menselijke berekening méér lijden dan Jezus Christus. Zoals Fjodor Dostojewski vorst Misjkin, de idioot in de idioot, laat zeggen over de zogenaamd humane doodstraf door de guillotine. De veroordeelde wordt gezond en fit gehouden tot het zover is, zodat hij bij volle verstand en zonder pijn lang van te voren de dood in de ogen kan zien. Kun je je een wreder straf voorstellen? Dus daar zit de kracht van het verhaal van Jezus niet in. En als je bijvoorbeeld van hem een goeroe maakt wordt het drama een stuk flauwer dan wanneer je het onzegbare het dragende gegeven laat zijn. In dit verhaal is er het totaal andere. De dichter, regisseur en componist hebben van het geheim hun kans gemaakt, maar het is een lijn die in het evangelie begint.

De fout die een passiespeltekst dus kan hebben in een postmoderne tijd is dat hij de betekenis erbij levert, zoals er pastoors zijn die vóór ieder onderdeel van de mis zeggen wat het te betekenen heeft. De eucharistie begrijp je eigenlijk echter nooit en je mag blij zijn als er af en toe eens een nieuw licht gaat schijnen over haar geheimen. Dat zijn dan de gelukkige ogenblikken. Betekenissen doorgeven, dat deed de passiespeltekst van Jacques Schreurs, ook geïnspireerd op het evangelie van Johannes. Die sloten aan bij de betekenis die de toeschouwer al van elders mee had gekregen. Het was een feest van herkenning. Van een etiket, niet van de zaak zélf ... zou de huidige filosoof zeggen. Het postmoderne probleem viel niet op. Daarom zien we nu op de oude films, dat de passiespelen van toen ons meer vertellen over de vijftiger jaren in Tegelen dan over Jezus Christus. Op zichzelf is dat niet erg. De passiespelen waren immers ook bedoeld als versiering van de roomse boom, die toch al rijke vruchten droeg. De mensen werden gesterkt in de iconen die zij al bij zich droegen. Nu zijn er in onze wereld geen voorgegeven iconen meer. Dat zegt niet alleen de taalfilosoof, maar we zien het zelf met eigen ogen. En dat is maar goed ook, want iconen zijn God niet. Dat heeft de beeldenstorm ons geleerd en ook het verbod op afbeeldingen in andere godsdiensten. Een icoon, en zo ook een taalbeeld in grote woorden, verduistert het zicht op God. De taalfilosoof, die met zijn instrumenten des doods holle taal afbreekt, is de beeldenstormer van weleer. En zo heeft hij zin.

Als er toch niet gezegd kan worden wat er te zeggen is, dan had Johannes beter maar zijn mond kunnen houden is de logische gevolgtrekking, en Wiel Kusters ook. Toch heeft Johannes op Patmos zijn woorden niet voor niets gedicteerd aan zijn geliefde leerling, Prochoros. Er zijn dus vormen van taal die wél iets zeggen. De tekst deelt niets mee, inderdaad. Maar je krijgt er een verhouding mee, die op je bestaan ingrijpt of er gebeurt niets. De tekst is een relatie. Het is geen tekst van hebben maar van zijn. Het is "aan" of het is niet "aan" tussen jou en het passiespel. En als je onder woorden meent te kunnen brengen waarom het "aan", dan is het niet "aan". Als er iets te weten valt, dan is dat alleen via taal die is. De taal die kunstenaars kennen. En Johannes dus die wil dat ons overkomt wat hem met Jezus overkwam. In die sfeer bevindt zich het passiespel van 2010. 

Ook Søren Kierkegaard heeft dit probleem gezien. Een mens kan maar gelijktijdig zijn met twee tijden, die van hemzelf, en met de gebeurtenis op de Calvarieberg. Een mens begrijpt ook iets, als hij bij hem onder het kruis staat. Alleen Jezus zelf kan ons redden uit de afgrond van betekenis, die de Deense filosoof zo aan de lijve heeft ondervonden. Kierkegaard is het met de poststructuralisten eens dat het verlies aan betekenis niet op te lossen is, zoals Johannes ook zegt. Al die arme mensen die zoeken naar een antwoord, een antwoord dat nooit komt ... zegt de filosoof van deze tijd ... een antwoord dat ik niet onder woorden kan brengen ... zegt Johannes. Maar de evangelist en ook Søren Kierkegaard horen dan Jezus tot hen zeggen ... Ik ben de weg, de waarheid en het leven... Wie in Mij gelooft zal leven. Niet zoals de Boeddha, die ons de weg wees, maar Jezus zegt ... ik ben...Wat we wél begrijpen is die gebeurtenis van tweeduizend jaar geleden. Als we erbij gaan staan op de Schedelplaats, als we ons één voelen met Lazarus, dan kunnen we het met Johanna (Miranda Verstappen) uitzingen ...

Dan klinkt Zijn stem van de overkant.

Ik reik naar Hem, ben in Zijn hand,

Als 's Levens bruid in wel en wee,

Herboren uit mijn Rode Zee.

Juist nu leven we in een tijd van eerst zien en dan geloven. Dat heeft de moderne tijd, de tijd vóór ons, ons geleerd. De poststructuralisten vertellen ons dat er niets te zien valt. En dan is er dus helemaal niets. Maar het oude antwoord, het geloof en zie, is een eind weegs vergeten, het credo ut intelligam, ik geloof opdat ik begrijp ... van  Anselmus van Canterbury. Er valt wel iets te zien, maar dan moet je eerst met gelovige ogen leren kijken. Het passiespel laat ons voelen dat je je aan dit verhaal kunt overgeven. Je kunt je scharen onder hen die Jezus volgen door het oude Palestina en die je ondertussen kent. Vandaag nog kun je dat doen, voordat de zon ter kimme neigt. Over het hekje vóór het toneel heen klimmen en met hem mee gaan. En dat betekent onmiddellijke en radicale verlossing van de bestaansnood, waarvan het eerste onderwerp toch de vraag naar de zin van het bestaan zelf is.

Onlangs las ik de biografie die Wiel Kusters heeft geschreven over Pierre Kemp. Hij moest niets hebben van theologen en filosofen, omdat ze het zicht op het echte konden verduisteren. Bij deze Maastrichtse dichter vindt men puurheid en helemaal geen duiding. Misschien heeft hij Wiel Kusters wel geïnspireerd bij het schrijven van zijn tekst. De passiespelen zijn ooit bij Kusters een mystieke en poëtische passiespeltekst gaan "bestellen" en die hebben ze gekregen. Zo zijn regisseurs opgezadeld met een dramatische moeilijkheid, want drama zit er niet in mystiek. Rullens heeft dat wonderbaarlijk opgelost door van de hoofdpersonen tijdloze figuren te maken, waarin wij onszelf herkennen, zoals Pilatus, Petrus, Judas, Herodes, de centurio, Maria Magdalena, Johanna, Lazarus, de vrouw die gestenigd zou worden. Zij raken verwikkeld in een plot, dat hun bestaan tenslotte totaal op zijn kop zet. De één vindt er zijn ondergang, de ander zijn redding. Daar komen ze langzaamaan achter, de één tot zijn zwartste ontzetting, de ander tot zijn eeuwige vreugde. Het ... Doe het dan! ... van Pilatus en het ... God! ... van Judas, waar het theater op zijn grondvesten van schudt. De vrouw die gestenigd zou worden ( Suzanne Rutten) en onmiddellijk liefdevol onder de volgelingen opgenomen wordt en Petrus ( Erik Snel), die zegt dat hij Jezus nooit heeft gekend, maar spijt heeft en bitter weent.

De veroorzaker van dit alles is een hoofdpersoon van wie Rullens de draagwijdte onbenoemd laat. Het heilige van Jezus (René Geijbels), daar maakt hij geen beeld van en hij wijdt er geen groot woord aan. Een traditionele katholiek hoorde ik zeggen ... waarom is Jezus niet wilder, niet verkondigender? Dat was dus de vraag naar een oud en vertrouwd beeld. Deze icoon zou echter de poststructuralistische beeldenstorm niet overleven. En het is maar een icoon. Het is niet Jezus zelf. De zon van de liefde ... zoals Fjodor Dostojewski zegt. Daar kun je niet aankomen ... moet de regisseur hebben gedacht. Daarom is de Jezus gedempt geregisseerd. Lief, aanrakerig, dat wel, en hij gaat als een mak schaap aan het kruis. Maar zijn verpletterende aanwezigheid wordt toch vooral uitgebeeld door de grote karakters om hem heen.

Judas ( Jasper Kuntzelaers) vraagt naar "grote woorden", maar krijgt ze niet en komt zo tot zijn verraad. Hij begrijpt niets van wat Maria doet, Jezus de voeten wassen met dure balsem, en nog minder van wat Jezus daarop zegt. Judas zit in het midden hoog op de heuvel. De wereld vraagt immers om grote woorden. Jezus zit ergens terzijde. Wat Jezus aan Judas antwoordt is even cryptisch als vaag. Jezus voorvoelt zijn dood, want Maria balsemt alvast zijn lichaam. Niet zo bijzonder, want ze hadden hem al eens willen stenigen. En als ze over tweeduizend jaar over Mij spreken zullen zij altijd ook vertellen wat zij voor Mij deed. Maar waarom ze over tweeduizend jaar nog over hem spreken, dat zegt Jezus niet. Dat is echter veel méér dan samen delen en alles aan de armen geven, of oproer tegen de Romeinen, zoals Judas dacht. Hij zet zijn ordelijke visie op Jezus door en komt daarmee oog in oog met de hel te staan. Judas is zich de fabelachtige betekenis van Jezus niet bewust. Waarom doet hij niets?... als Jezus zich zonder verzet gevangen laat nemen. Daarom hangt hij zich ook op. EmHhhhhhhhhhMaar Judas mogen we van Rullens begrijpen, Jezus niet.

Allemaal onevangelische versterkingen van het drama, zoals passiespelen door de eeuwen heen hebben gedaan. Cees Rullens gaat een heel eind richting de allegorie, waarbij het indrukwekkende decor van het oude Jeruzalem ( Cor van Leipsig) en de fantastische kostuums (Brigitte Altena) maar schijn zijn. Want het drama dat zich erin afspeelt is universeel en de dramatis personae zijn de vleesgeworden delen van het mens-zijn, die gespiegeld worden aan 's mensen eeuwige bestemming. De grote protagonisten herkennen iets in Jezus, maar zij zeggen niet wat het is. Zij lijken het zelf niet eens te weten. Dát ze hem herkennen, dat wordt uitgebeeld. Ja, de centurio (Peter Haanen) spreekt van een rechtvaardige, het Joodse begrip tsaddiek, maar daarvan weet geen mens wat het betekent, behalve misschien de rechtvaardige zelf. Een groot woord dus dat slechts als een willekeurig etiket staat op wat het lijkt uit te drukken. Hij komt er niet uit, maar hij vertrouwt wél zijn gevoel ... het vliegt me naar de keel, zoals hij ook de geseling, de veertig min één, nauwelijks kan aanzien en ze bekort met een tellen dat zijn baas, die hij steels in de gaten houdt, niet mag horen. Hij ziet iets in Jezus, maar tegelijk kent hij zijn leer niet en hij zou er ook niet zomaar zijn leven voor op het spel hebben gezet.

Catechismus en dogma zijn geen onzin, maar zij hebben nog nooit iemand bekeerd en zij hebben nog nooit iemand ontroerd. Het zijn slechts trouwe wachtposten voor de poort van het mysterie, dat zij nooit zullen onthullen. Zij mogen nooit meedoen aan het feest en zijn voor altijd buitengesloten. Overigens zal de kerk het hiermee eens zijn. Waar zie je de dogma's in een kerkgebouw, tijdens de mis, in een Mariakapelletje? Ik geloof alles wat de kerk zegt tot de laatste letter... merkt de Heilige Teresa van Avila op, om vervolgens in haar geschriften geen woord meer vuil te maken aan wat de kerk zegt. Want haar gevecht van het leven werd op een ander slagveld geleverd. De kerk heeft haar tot kerklerares gemaakt, één van de vier vrouwen die dat zijn, en zij heeft dus geen problemen met dit inzicht. Ons passiespel was niet een vorm die de wachtposten naspeelt, maar iets dat ging over de werkelijkheid zelf.

Het passiespel gaat over liefde, juist zoals de evangelies. Jezus zegt het zo vaak zelf. Een ander thema is er niet. Als voorbeeld, de tegenwoordige opgeld doende exegese van Maria Magdalena ( Marja Haanen -Wingbermühle) als echtgenote van Jezus - met kinderen en al - is natuurlijk ook een groot woord. Ook deze uitleg van Jezus betekent niets en helpt niet om hem te begrijpen. Niet zo in het passiespel van Tegelen. Bij het afscheid van Jezus en Maria Magdalena is het enorme toneel even van hen alleen. Het deed me denken aan de prachtige afscheidsscene tussen Pater Pio en Cleonice in de film over hem. Van Pater Pio werd immers ook gezegd dat hij "ongeoorloofde" relaties met vrouwen had. Er zijn tijden geweest dat hij geen biecht mocht horen. Hij is er toch nog heilig mee geworden. Ook het passiespel laat hier het geheim bestaan. Een afscheid van Maria Magdalena na het Laatste Avondmaal is niet evangelisch, maar het past wel in het beeld van grote schoonheid, dat de regisseur laat zien in die scene. En schoonheid is geen bijzaak zoals John Keats al zei ... truth is beauty en beauty is truth. Begin er niet aan uit te leggen -elk woord is te veel- en het is weg. Spreek er niet over, kom erbij zitten, zo ademt de scene van ons Laatste Avondmaal.

Het beeld in pasteltinten is adembenemend mooi. Het licht op en glanst in het extra licht van de Doolhof. Het zou zó een klassieker kunnen worden in de iconografie van het Laatste Avondmaal. In die scene neemt het geheim het helemaal over. Het is een mysterieus tafereel dat zich dat afwikkelt in de dram van het bekende, en toch totaal onbekende, iets als een wiskundige formule die men een leven lang ziet, en nooit begrijpt. En als het begrip ooit komt, dan is het door de genade Gods, want geen enkel groot woord kan er recht aan doen. Daardoor krijgt de scene iets surrealistisch, vooral als je ze probeert te bekijken zonder al die bijgedachten van een leven lang. Het raadsel van het Laatste Avondmaal kun je nooit oplossen met woorden. Je zult de weg zelf moeten treden. En dan zul je eens Jezus zelf tegenkomen, die je aankijkt met een liefdevolle blik in zijn ogen, zoals in het gesprek met de rijke jongeman, en hij vraagt je dan, maar jij, wie zeg jij dat ik ben?

Voor het kwaad in de mens staat Kajafas ( Geert Beurskens). Hij heeft veel weg van de Groot-Inquisiteur uit de gebroeders Karamazow van Fjodor Dostojewski, die maar al te goed weet wie Jezus is en hem toch laat verbranden. En daarom kan hij dus alleen maar de Satan zelf zijn. Die is tot zoiets in staat. Met zijn allegorisch alter ego en nog een graadje erger in slechtheid, maar niet zo slim, Annas (Pierre Driessen) vormt hij een duo waar je de koude rillingen van over de rug lopen. Zij weten wél wie hij is en het is dus geen vergissing wat ze doen. Pilatus ( Marcel Camps) kan het intellectuele geweld en de retoriek van de hogepriester eigenlijk niet aan, maar doet zich flink voor. Hij wil niet meewerken aan een gerechtelijke moord op iemand van wie hij de onbestemde grootsheid aanvoelt. Het komt zelfs tot een bijna fluisterend onderonsje met Jezus als Pilatus bijna wanhopig vraagt ... maar waarom zegt U niets? En dan Pilatus die Jezus, haast per ongeluk, even ondersteunt, als hij dreigt te vallen, en daarbij zijn handen met bloed besmeurt. Hij vermant zich en laat Jezus weer over aan de soldaten. Het figuurlijke "onschuldig bloed" uit het evangelie, loopt onze Pilatus in het echt op, als hij even uit zijn rol valt en Jezus vastgrijpt.

Hetzelfde patroon is zichtbaar bij Herodes ( Robert Bouten), traditioneel geportretteerd in alle Jezusproducties als de wellustige potentaat, maar bij ons van een fantastische nuance voorzien. Herodes merkt aanvankelijk dat hij zich in een politiek wespennest steekt. Dat denkt hij nog wel weg te kunnen lachen, maar als hij Jezus in de ogen kijkt overvalt hem ineens het immens bijzondere in hem. Dan begrijpt hij ook de onontkoombare druk van de hogepriesters, waar hij niet tegen opgewassen is. Hij zit tussen twee laaiende vuren waarvan hij de omvang eerst niet goed inschatte. Als hij zich er tenslotte van afmaakt met de purperen mantel en Jezus wordt weggevoerd blijft hij ontdaan achter. Hij die eerst om alles lachte. Ook wat Herodes zo getroffen heeft krijgen we niet te zien, maar wél blijft hij Jezus nakijken als die wordt weggevoerd, handenwringend in het doekje waar hij zich altijd aan vast houdt.

Dit zijn emoties, die door Rullens tot op de bodem worden uitgelepeld. Historisch zijn ze niet, en evenmin letterlijk evangelisch, want Pilatus was een machthebber die niet wakker lag van een doodvonnis meer of minder, en Kajafas was geen satan en dat er een nuance zat in Herodes, dat staat ook nergens. Wél raken ze aan wat Johannes in de grot op Patmos probeerde te zeggen - dat zijn eigen leven a blaze of glory was geweest, door Jezus- en aan wat talloze kunstenaars in de geschiedenis hebben proberen te verbeelden. Het geheim hangt als een waas om Jezus heen, maar menig scene in het passiespel weerspiegelt in grote schoonheid het wezen ervan, dat wij rechtstreeks nooit kunnen zien.

Jezus kwam aan de oevers van het meer iemand tegen en zei tegen hem ... volg mij ... En hij ging mee. Als je dit probeert uit te leggen kom je nergens. Als het je inspireert om ook mee te gaan, dan ben je deel van het verhaal geworden. Zoals Albert Schweitzer zei ... alleen wie gehoor geven aan het "Volg mij!" zullen hem ontmoe­ten "und als ein unaus­spre­chliches Ge­heim­nis werden sie erfah­ren, wer er ist." Er is geen taal die het eeuwige raakt ... toch wel dus. Dat is de taal van het zijn, niet die van het hebben. Dat is geen taal die liefde beschrijft, maar die liefde is. De evangelies gaan niet over geloof, hoop en liefde, zij zijn geloof, hoop en liefde. In ons passiespel is er geen één groot woord, alleen taal die is en beeld dat is. Bij wijze van spreken worden we gek op hem zonder te weten waarom. En de theaterman die dat kan uitdrukken, die is een kunstenaar. Zoals de dichter die met wat verstandsloos gebrabbel ons ineens kan laten houden van een bloem, die we altijd voorbij zijn gelopen.

Wiel Kusters zei eens in een interview, dat het passiespel een apart genre is. Bij ons zijn het geen professionals die een rol spelen en daarna huns weegs gaan, hoewel velen wél een professioneel niveau bereiken in hun spel. Er is een zekere vervaging tussen spel en werkelijkheid, tussen óp en achter het toneel. En dat kan alleen maar in dit aparte genre. Wat er gebeurt op het toneel is niet alleen maar spel. Maar weinigen onder de spelers zullen beticht willen worden van verkondiging, van het bezigen van grote woorden. Maar als ze vroeg of laat na de laatste voorstelling naar huis gaan laten ze toch een stukje van hun ziel in de Doolhof achter. Er zat ziel in het spel en in de groep. Dat willen ze beslist wel toegeven. En die vonk met het publiek, waar iedere toneelspeler op hoopt, dat onplanbare, dat onrepeteerbare, die vonk was er ook. Het was niet slechts spel, maar ook gebeurtenis, daar bij ons in de Doolhof.

Jezus heeft alles meegemaakt, de grootste triomf en de grootste vernedering. Maar ook die ontsluiten niet zijn geheim. Zij vergroten juist het vraagteken. De kruisweg met voorop de wenende vrouwen. Zij wenen als beroep. Ze voelen geen medelijden met hem. De valse ondertoon van de melodieuze muziek, belcanto bijna, onderstreept de eenzaamheid van Jezus. Ellendige, ellendige ... een druppel die nog even sist en dan voor eeuwig uitgewist ...  Je zou je hen met een breiwerkje kunnen voorstellen met een Limburgse joekskapel aan het hoofd van de stoet. Zo begint de kruisweg. Maar even later zitten ze toch ontzet bij Jezus op de grond, als die voor de derde keer valt onder het kruis en zijn tekst spreekt ... als jullie zo doen met het groene hout ... En ook de spectaculaire intocht in Jeruzalem, met zijn hemelse muziek (Nard Reijnders), de hosanna's van het volk, Judas met zijn klacht ... zonder beurs, zonder reiszak ...  vooraan en boven het gedruis uit. Wij weten niet waarom de intocht ineens zo kon omslaan in de kruisweg. Daarom zit er altijd een valse noot aan. Niettemin is het zo'n magnifieke scene in dit passiespel, dat ik hem niet anders dan uit zijn verband kan zien, dat ik hem niet anders kan zien dan als een voorafbeelding van het ogenblik waarop wij als volk niet meer bang hoeven te zijn dat ons gejuich nog ooit eens om zal slaan in een kruisig hem.

Sommigen vonden de moord op Lazarus ( Erik Derikx) niet passen, maar Lazarus zelf geeft het antwoord. Hij is opgewekt uit de doden, alleen maar om weer te sterven. Iemand die ooit de dood in de ogen heeft gezien, weet dat die nooit meer weg zal gaan en hem ooit weer zal inhalen. Dat stinkende lijk ... Lazarus moet weg want hij verstoort de orde der dingen, maar wat erger is, hij vindt zelf ook dat hij niet meer thuis hoort in de wereld. Lazarus lijdt aan de ... sygdommen til døden, de ziekte ten dode, zoals Søren Kierkegaard het uitdrukt. Tót zijn nieuwe ontmoeting met Jezus, de enige radicale genezing van de ziekte ten dode. Als hij de evangelische plaats inneemt van Jozef van Arimatea, is hij de enige onder het kruis, die tenslotte niet zo bedroefd is. Hij slaat de armen om hen heen die daar verpletterd staan, onder wie Johannes ( Mario Kremers), die dan nog lang niet zo ver is als in zijn latere evangelie.

Lazarus weet dat Jezus zal verrijzen, omdat hijzelf al verrezen is. De verrijzenis van Jezus wordt aangekondigd, wanneer Jezus zegt tegen de goede moordenaar  ... vandaag nog zul je met mij zijn in het paradijs ... als Kusters deze huiveringwekkende woorden leent bij Lucas, en in de laatste woorden van Maria ( Marie-Louise Giesen-Driessen) ...

Maar het eind kan dat niet zijn

Kom, leef toch weer

De verrijzenis in ons passiespel ligt echter toch vooral bij Lazarus. Zijn genezing spreekt hij uit in zijn laatste tekst, de laatste tekst van het passiespel. Hoe dat ging zegt hij niet, maar wél dat het gebeurde. De tweede opstanding van Lazarus is de opwekking uit de levenscrisis van iedere mens. Jezus kan jou, ongelukkige, zittend in een van de stoeltjes in de Doolhof, nu, op dit moment, ook redden en je toeroepen ... δευρο ἐξω ... kom naar buiten. Uitleggen kan niemand dit, maar we kunnen wél hopen op herkenning, een herkenning die altijd komt. Dan blijft ons slechts over er het zwijgen toe te doen en wellicht in de handen te gaan klappen zoals dat mongooltje laatst vooraan in het theater, aan de reling.

Dat ik nu pas echt weer leven kan,

vanuit de dood die mij beving,

een leven waartoe Hij mij riep.

 

Dat ik nog steeds gestorven was,

maar nu met Hem verrezen ben,

met Hem die Zich verrijzen deed

en die het Leven is.

 

Want wat mij overkomen is,

heeft nu pas zin.

Lazarus heeft het laatste woord, een woord van verrijzenis. Maar hij zegt alleen dat Jezus is. Meer niet. Anders zou het licht dat de dichter een ogenblik heeft laten schijnen uitgaan. Dan zou Hij hem ontvlieden met wie hij al die tijd samen was geweest. Noli me tangere ... raak me niet aan ...  zegt Jezus op paasmorgen tegen Maria Magdalena. Alleen bij Johannes, zegt Hij dat. Maar toch, zij zal Hem nooit verliezen, en daar zijn geen woorden voor. Zoals Johannes van zichzelf zegt als hij als eerste aan komt bij het graf en ziet dat het leeg is ... hij zag en geloofde.

Nu het daverend slotfeest juist is geëindigd en ik tegen middernacht tussen de stilte van oude bomen door het theater uit loop, weet ik dat het ook zo was met ons passiespel. Wij hebben erin geloofd en dat zagen de mensen. Tallozen vonden het heel mooi en ontroerend. Velen kwamen het twee keer zien. Maar waarom, dat konden zij moeilijk zeggen, dat is een geheim gebleven, en dat moet ook. En voor de spelers was het ook zo. Amigos para siempre, vrienden voor altijd, zo worden zij genoemd in de laatste film over hen. Ja, dat wél.