Geloof en vertrouwen

Vandaag had de priester het over een nieuwe vertaling van de Bijbel. De woorden  van Jezus tegen de vrouw die de zoom van zijn mantel had aangeraakt ... ga heen, uw geloof heeft U gered ... waren vertaald als ... ga heen uw vertrouwen heeft U gered. Deze laatste vertaling vond hij beter. Geloof had voor hem te veel de associatie met het "goede geloof", het geloof waarmee je bent opgevoed, de kerk dus. En op die manier was dat woord besmet.

Wat mij betreft is vertrouwen niet radicaal genoeg. Zoals zoveel woorden in de Bijbel is geloof een woord dat je pas na een heel leven gaat begrijpen en dan ook nog slechts ten dele. Als je het te gemakkelijk maakt, denken de mensen dat ze het al aanvoelen. Een goed voorbeeld is ook makarios , het zalig uit de Bergrede. Dat wordt tegenwoordig wel weergegeven met gelukkig. Wat Jezus ons daar belooft is echter niet alleen zoiets groots, maar ook zoiets buitenissigs, dat je door het woord geluk op het verkeerde been wordt gezet, alsof je het al zomaar dóór zou kunnen hebben.

Vertrouwen als vertaling van geloof is mij inderdaad te plat. Geloven moet je met je hele zijn. In Jezus moet je geloven zoals een minnaar in zijn geliefde. Zij is nooit uit zijn gedachten. De minnaar gelooft onvoorwaardelijk in haar. De wereld zélf ziet er anders uit. Met zijn minnezang zingt heel de natuur mee. Liefde maakt blind ... inderdaad. Het geloof van de gelovige mens maakt hem blind voor de wereld, althans hij ziet die wereld in een volkomen ander licht. Geloven leidt tot een andere vorm van kennen en waarnemen. Niet alleen in de romantische zin van ... de natuur zingt mee, maar ook zoals de filosofen kennen en waarnemen opvatten, met alle grote woorden die zij hiervoor veil hebben.

Liefde maakt blind ... zegt de buitenwereld over de minnaar, maar de minnaar zélf denkt dat hij de wereld en vooral zijn geliefde goed ziet. Zo ook meent de gelovige mens dat zijn waarnemen en kennen raakt aan de werkelijkheid zelf, terwijl de ongelovige nauwelijks wat kent of wat waarneemt. De ongelovige is het hulpeloze slachtoffer van mythe en ideologie, ook in de gewone functies van de mens die met geloof niets te maken lijken te hebben. De kennis van de ongelovige is bijgeloof en zijn waarnemen een fata morgana. Jullie snappen er niets van ... zegt de minnaar, als hij aangesproken wordt op zijn gekte. Geloven splijt de hele mens, het hele subject. En wat de werkelijkheid betreft, met de woorden van de filosoof zelf ... het geloven splijt de werkelijkheid tot op de ontologie. Tot op het wezen der dingen dus.

En het verschil met de gewone minnaar is dat diens visie op de werkelijkheid wel een keer over zal gaan, zo zegt de cynische buitenwacht, maar met de gelovige minnaar gaat het nooit over. Het is de eeuwige affaire tot over de grenzen van de dood heen. Bekering, - dat is gaan geloven -, is dan ook niet een verandering in slechts een deel van de persoon, maar een totale omvorming, een herschepping van het subject, het verschijnsel mens. Met alle grote onderdelen van de mens inbegrepen, dus ook zijn kennen en zijn waarnemen. Dit is niks nieuws, het is de pretentie geweest van alle helden en heiligen uit de geschiedenis, het is kerkelijke leer, maar vooral Jezus zelf is niet moe geworden juist dit te zeggen. Als je de evangelies op dit punt op citaten gaat nazien kun je ze net zo goed helemaal overschrijven.

De liefdesaffaire zonder einde in de tijd. Het is de affaire die de mens bevrijdt van zijn noodlot. Dat is wat Teresa van Avila heeft ervaren; dat is wat het Hooglied bezingt. Allerlei voor de hand liggende vragen zijn nu wel te opperen, maar het primaat van het geloof, van de liefdesaffaire, van de overgave, moet ons huiverig maken voor bedenkingen. Zacharias had even een moment van twijfel, toen de engel hem aankondigde dat zijn oude vrouw nog een zoon zou baren. Dat kwam hem te staan op een lange periode van stomheid, totdat hij de naam van zijn zoon met een krijtje op een bord kon schrijven, Johannes. Want dat had de engel hem gezegd. Maria niet, die twijfelde niet, toen Gabriel aankondigde dat Jezus er zou zijn. Daarom is het maar beter dat wij proberen te geloven zoals zij geloofde.

Geloven is als een verliefdheid, anders is het niet menens genoeg. De groten heeft het geen dag met rust gelaten, soms geen uur. Het heeft ze tot andere mensen gemaakt. Ze hebben alles gegeven om die akker te kopen waar de parel in ligt. Juist daarom heeft het mensen als Søren Kierkegaard en Leo Tolstoj gered. Dit zijn de filosofen die de menselijke crisis aan den lijve hebben ervaren. Zij hebben gedacht dat ze niet konden bestaan. Vervolgens merkten ze dat niet-bestaan net zo onmogelijk was, wat alles nog veel erger maakte. En toen hebben zij ervaren dat geloof hun redde. En na die herschepping waren ze verlost. Zij werden een nieuwe schepsel, terwijl het oude niet kon bestaan.

Deze week was er in ons dorp weer eens zo'n gruwelijk verhaal dat iemand een einde aan zijn leven had gemaakt. Je mag er nooit over oordelen, want wie weet wat er allemaal speelde. Bidden mag je voor zo iemand en dat doe ik, maar zou hij met de mogelijkheid van de herschepping van heel zijn wezen ooit rekening hebben gehouden? Ik lig aan diggelen, ik zit als Job op de mesthoop, nee nog erger, ik kan niet eens meer denken of met God praten zoals Job deed. Zou het niet heilzaam voor zo iemand zijn als hij zich kon verplaatsen in de blinde van Jericho? Die is het prototype van de absoluut gelovige en hij wist zelf dat hij blind was. Zijn als de blinde van Jericho is dus weten dat je blind bent, maar geloven dat iemand je komt redden, als je in de berm van je leven zit, zomaar, om niet.

Die twee mensen, Kierkegaard en Tolstoj, die ik net noemde, hebben ook een tijd gedacht dat er voor hen geen redding was, totdat zij het woord geloof gingen begrijpen. En nadat ze nieuwe mensen waren geworden, toen ze de grote verdrukking hadden verlaten, begrepen ze tot hun enorme verbazing als toegift ook nog eens wat zalig was, dagelijks in een liefdesaffaire te verkeren, minnaar te zijn tot over de dood heen. En dan krijgen gewoon lijkende woorden betekenissen, waaraan geen mens heeft gedacht, die geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord. Daarom kun je ook in de vertaling maar beter de geheimzinnige waas laten bestaan die er over sommige woorden hangt.

Wim Beurskens