Rabi’a al-‘Adawiyya

Opmerking vooraf: ik hou er zelf niet van als een oorspronkelijke tekst tot mij komt via een andere taal. Ik heb het idee dat er dan te veel verloren gaat. In dit geval zou dat zijn van het oude Arabisch via het Engels naar het Nederlands. Bovendien lijkt me de Engelse vertaling, die ik gebruik, erg goed. Daarom heb ik die laten staan en er een tamelijk vrije Nederlandse vertaling achteraan gezet. Sorry voor het ongemak in het lezen dat dit oplevert.

 

I

Rabi’a al-‘Addawiyya was een vrouw die heeft geleefd rond het jaar 800 in Basra en haar woorden hebben alle tijden doorstaan. En zelfs alleen haar woorden zoals ze zijn overgeleverd door anderen. Zoiets gebeurt vrijwel alleen bij mensen die God zelf hebben gekend. Rabia was een mystica uit de Islam. En mensen die God zelf hebben gekend spreken alleen over liefde. Zoals Johannes zegt … God is liefde. Liefde was het enige voor haar. Als je die vindt heb je alles en anders heb je niets. Al ware het, dat ik de talen der mensen en der engelen sprak, en de liefde niet had, zo ware ik een klinkend metaal, of een luidende schel geworden … zegt Paulus in de Statenvertaling.[i] Rabi’a zegt … He loves them and they love him. They said, “Do you see the one you worship?” She said, “If I did not see, I would not worship.” … Hij houdt van hen en zij houden van Hem. Ze zeiden tegen haar … “zie je Degene die je aanbidt?” Zij zei, “als ik niet zag zou ik niet aanbidden.”

Genieten van de schepping was er niet bij, omdat er in schoonheid nog iets groters was. Ascese om daardoor nog meer overweldigd te zijn door de liefde zoals ze is, God zelf … it is related that one day Rabi’a fell ill. She was asked about the cause of her illness. She said, “I looked into the garden, and my Lord reproved me. An inclination of paradise appeared on the horizon of my heart, and my friend punished me. The illness is because of that.” [ii] Er wordt verteld dat op een keer Rabi’a ziek werd. Zij werd gevraagd naar de oorzaak van haar ziekte. Ze zei, “Ik keek de tuin in en mijn Heer verweet mij dat. Ik had namelijk een ervaring van het paradijs aan de horizon van mijn hart toen ik dat deed, en mijn vriend strafte mij. De ziekte is vanwege dit.” Later zei ze  … she said, “You come in for once and see the creator! Witnessing the creator has preoccupied me from gazing on the creation.” [iii] Nou kom eens een keer hier en kijk naar de Schepper. Getuige te zijn van de Schepper heeft mij weggehouden van het aanschouwen van de schepping.

Haar ascese ging om overgave aan Zijn wil, de wil van de Vriend …  ‘Abd al-Wahid ibn ‘Amir says, “With Sufian Thwri we paid a sick-call on Rabi’a. We couldn’t speak for awe of her. They said to Sufian, ‘Say something.’ He said, O Rabi’a, pray, so the real Most High will ease your pain.‘ Rabi’a said, ‘O Sufian, don’t you know that the real Most High has willed my pain?’ He said, ‘Yes.’ She said, ‘You know this and still you tell me to request what is at odds with his will. It is not proper to be at odds with the friend.’ [iv] ‘Abd al-Wahid ibn ‘Amir zegt, “Met Soufian Thwri gingen we op ziekenbezoek bij Rabi’a. We konden geen woord uitbrengen van ontzag voor haar. Ze zeiden tegen Soufian, ‘Zeg iets.’ Hij zei, O Rabi’a, bid, dat de Werkelijke, de Allerhoogste, je pijn verlicht.‘ Rabi’a zei, ‘O Soufian, weet je dan niet, dat de Werkelijke, de Allerhoogste, mijn pijn heeft gewild?’ Hij zei, ‘Ja.’ Zij zei, ‘Je weet dit en toch zeg je mij iets te vragen dat niet in overeenstemming is met zijn wil. Het is niet juist niet in overeenstemming te zijn met de Vriend.’

De wil van God komt in het zoeken naar Hem overal terug, het is een levenslange affaire, zoals bij Thomas à Kempis in de imitatio christi … let Your will be mine, and let my will ever follow and be conformed wholly to Your own. Let me ever will and not will in union with Yourself, and be unable to will otherwise than you will or do not will.[v] Laat jouw wil mijn wil zijn en laat mijn wil altijd de Jouwe volgen en conform zijn aan je eigen wil. Laat mij altijd willen en niet willen in eenheid met Jezelf, en niet anders kunnen willen dan jouw willen en niet willen.  En Rabi’a “She said, ‘Since he knows my condition why should I remind him? He wills it so. We in turn will whatever he wills.’” “Ze zei, ‘Aangezien hij mijn toestand kent, waarom zou ik hem eraan herinneren? Hij wil het zo. Wij op onze beurt willen wat hij ook maar wil.’”

Het is ook de kern van wat de Boeddha zei, het uitschakelen van de eigen wil, de annihilatie van het ego. Dan heb je het geluk bereikt. Het lijden speelt geen rol meer. Dan heb je het paradijs op aarde gevonden. Thomas à Kempis zegt het zó … when you have arrived at that state when trouble seems sweet and acceptable to you for Christ’s sake, than all is well with you, for you have found paradise upon earth.[vi] Als je dat stadium hebt bereikt, als moeilijkheden je mooi en aanvaardbaar toeschijnen om Christus’ wil, dan is alles in orde met je. Want dan heb je het paradijs op aarde gevonden.

Als je het geluk wil vinden … cut out desire … zegt de Boeddha. Als je desire wegsnijdt in je bestaan dan zal geluk vanzelf je deel zijn. “Then Sufian said, ‘Rabi’a, is there something you desire?’ She said, ‘Sufian, you are a man of the people of knowledge. How can you talk this way? By the majesty of the Lord, for twelve years I have desired fresh dates, and you know there is no shortage of fresh dates in Basra. I still haven’t eaten any. I am a servant, and what business does a servant have with desire? If I wish for something and my Lord does not, this is infidelity.[vii] “Toen zei Soufian, ‘Rabi’a, is er iets waar je zin in hebt?’ Zij zei, ‘Soufian, jij behoort tot de mensen van kennis. Hoe kun je op deze manier spreken? Bij de majesteit van de Heer, al twaalf jaar lang heb ik zin gehad in verse dadels, en je weet dat er geen tekort is aan verse dadels in Basra. Ik heb er nog steeds geen gegeten. Ik ben een dienaar, en wat heeft een dienaar te doen met ergens zin in hebben? Als ik iets wens en mijn Heer niet, dan is dat ontrouw.’

Dit is dus niet de kale ascese. Ascese omwille van de ascese. Er komt iets onzegbaar mooiers voor in de plaats … she heard a voice say, “O Rabi’a! If you wish, I will bestow the bliss of the world upon you, but I will remove the grief for me from your heart. The bliss of the world and the grief for me cannot be joined in one heart. O Rabi’a, you desire one thing, and we another. Our desire and yours cannot be joined in one heart.”  Zij hoorde een stem zeggen, “O Rabi’a! Als je dat wil zal ik je overladen met alle zaligheid van de wereld, maar dan zal ik wél het verlangen naar Mij uit je hart verwijderen. De zaligheid van de wereld en het verlangen naar Mij kunnen niet worden verenigd in één hart. O Rabi’a, jij wenst het ene, en Wij het andere. Onze wil en die van jou kunnen niet worden verenigd in één hart.” 

Het verlangen naar de Vriend wil de mysticus voor geen goud van de wereld opgeven. Dat is zijn hele bestaan. Hij wil er alles aan doen om de Geliefde te vinden. Maar de kale ascese omwille van de ascese brengt hem niet tot de Vriend. Het zou betekenen dat de mens het zelf in handen heeft. Dus als hij zijn lichaam helemaal heeft uitgevast – hij is vel over been - dan zou hij niet alleen problemen kunnen krijgen met bijvoorbeeld de lichamelijke liefde - en dat wil hij misschien ook wel - maar ook met de goddelijke. De liefde van de mysticus voor de Geliefde wordt veel meer getroffen door het Hooglied, waarin van ascese geen sprake is, alleen maar van verlangen … want sterk als de dood is de liefde, met de onverbiddelijkheid van het dodenrijk sluit zij ieder ander buiten. Haar vonken zijn bliksemschichten, vlammen van Jahwe. Geen stortvloed van water kan de liefde blussen, geen rivier spoelt haar weg. Al bood iemand al wat hij bezit voor de liefde, met verachting zou men hem afwijzen.[viii]  

Op het mystieke pad wordt het lijden steeds groter, zegt Teresa van Avila, maar ze zou het nergens voor willen inruilen. Dit lijden vindt men overal in de mystieke literatuur terug. Bij Sint Jan van het Kruis is er de donkere nacht van de ziel, die twee stadia kent, het laatste is nog veel erger dan het eerste en de termen waarin hij die beschrijft doet er de koude rillingen van over de rug lopen, maar als iemand geen vooruit of achteruit meer weet – en zo zijn er velen in deze wereld – dan zijn de woorden van Sint Jan zalf voor de ziel. Daarom stonden deze mensen ook midden in de wereld. Zij zijn onmisbaar.

Men zou Rabi’a kunnen verwarren met mensen die pretenderen God te kennen en daarom zo snel mogelijk uit deze wereld weg willen, die de wereld haten. In de hele geschiedenis zijn ze er geweest. Ze miskenden de schepping en Zijn wil dat de mens iets maakt van zijn rol daarin. De schepping heeft een goddelijke betekenis. God heeft er de zin en de vreugde aan gegeven. Iemand echter die pretendeert God te kennen en daarom zo snel mogelijk uit deze wereld weg wil is geen heilige. Zo’n soort stromingen zijn steevast door alle tradities veroordeeld of zij veroordeelden zichzelf door gek te worden, zoals bijvoorbeeld de monniken van het gekkenhuis in Alexandrië, dat door Johannes Climacus, Sint Jan van de Ladder, beschreven wordt.

 

II

Zo was Rabi’a dus niet. Echter het pad dat wél kan is ook lijden. Als er iemand is, die zegt hoe het zit tegen iemand die lijdt, dan is dat voor menigeen een belevenis van herkenning die genezend is. Umar Ibn al-Farid wordt wel de grootste dichter uit de Arabische wereld genoemd. Hij rende wel in zijn blootje de straat op toen hij het antwoord gezien had, maar hij behoort toch tot het goede soort en hij zegt het zó …

 

Jacob did not divulge

the least of my grief

While all of Jobs’ affliction

Is but some of mine

 

In Jacob openbaarde zich niets

Van míjn droefheid,

Terwijl alle ongeluk van Job

Maar een klein deel van het mijne is.

 

My fine patience forbids my complaining,

But had I complained to my enemies

of what I feel,

Even they would have helped me.

 

Mijn fijnzinnig geduld verbiedt mij te klagen

Maar áls ik had geklaagd tegenover mijn vijanden

Over wat ik voel,

Dan zouden zij mij zelfs geholpen hebben.

 

Rabi’a zegt het zó … it is related that she lamented continually. People said, “There’s no apparent reason for it. What’s the cause for her lament?” She said, ”I have a sickness within my breast that physicians have proved unable to cure. The salve for our wound is union with him. I excuse myself for this lamentation with the possibility of reaching my goal tomorrow in the hereafter. Although I am not among those racked with pain, still I liken myself to them. Anything less than this is impossible.”[ix] Er wordt verteld dat zij voortdurend weeklaagde. Mensen zeiden, “Er is geen duidelijke reden voor. Wat is de reden voor haar weeklagen?” Zij zei, ”Ik heb een ziekte in mij die dokters niet hebben kunnen genezen. De balsem voor onze wond is vereniging met Hem. Ik verontschuldig mij voor dit weeklagen vanwege de mogelijkheid om mijn doel morgen te bereiken. Hoewel ik niet te midden ben van hen die vergaan van de pijn, vergelijk ik mij toch met hen. Alles minder dan dit is onmogelijk.” Søren Kierkegaard wijdde één van zijn beroemdste boeken aan dit onderwerpSygdommen til Døden, de ziekte ten dode. En omdat hij hierover kon schrijven gaat zijn faam ver buiten de theologie en herkennen mensen iets in hem dat hen verlost. De belangrijkste reden dat mensen Deens leren – zo hoorde ik eens – is om Kierkegaard in het origineel te kunnen lezen. En daarmee plaatst Søren Kierkegaard zich in dezelfde categorie van helden en heiligen als die van Rabi’a. Zij hebben een onmisbare rol in de schepping en willen die ook. Het zijn geen egoïsten die alleen maar voor zichzelf leven.

Dus hoeft iemand niet zo heel bijzonder te zijn om iets aan Kierkegaard te hebben. De Boeddha zegt dat het ons aller lot is of behoort te zijn. Anders leef je eigenlijk niet. Dan is je ego nog zo groot dat het je belet tot het wezen van je bestaan door te dringen. Hij zegt … but some there are whose lives are sufficiently unhappy ... to be able to hear, in the stillness of the night or above the turmoil of the day, the ceaseless cry of anguish which rises from a blindly-groping, sorrow-laden world.[x] Maar er zijn er, wier leven voldoende ongelukkig is … om te kunnen horen, in de stilte van de nacht of boven de dagelijkse drukte uit, de onophoudelijke schreeuw van lijden, die oprijst uit een blind tastende en met droefheid beladen wereld. Iemand die gelukkig is in het aangezicht van wat er allemaal in de wereld gebeurt, die is nog niet van zijn ego af. Als je geen compassie, mede-lijden, karuna voelt – in de letterlijke zin – als je niet lijdt omwille van je lijdende medemens, dan zit je ego je geluk nog in de weg. Het leven zien als een strijd tegen je eigen lijden is een kinderlijke visie. En Jezus … iemand die zijn kruis niet op zich neemt is mij niet waardig. En toch is dit soort uitspraken onlosmakelijk deel van het euangelion, de blijde boodschap, die het woord van Jezus is en die Hijzelf is. En dit soort strijd, het dilemma van het lijden en het hoogste geluk, heeft in iedere mysticus en heilige plaats gevonden. Daarom overleven ze hun tijd.

Rabi’a zegt … je moet het lijden vergeten voor de schoonheid die ervoor in de plaats komt. Dat was haar ascese … the conversation turned to the question of sincerity. Hasan said, “No one is sincere in his claim who is not patient under the blows of his master.” …. Rabi’a said, “This talk stinks of egoism.” Shaqiq said, “No one is sincere in his claim who is not grateful for the blows of his master.”  Rabi’a said, “We need something better than this.” Malik Dinar said, “No one is sincere in his claim who does not delight in de the blows of his master.” Rabi’a said, “We need something better than this.” They said, “Now you speak.” Rabi’a said, “No one is sincere is his claim who does not forget the wound of the blow in the vision of his master. There’s nothing strange in this. The women of Egypt did not perceive the wound of the blow while they viewed Joseph, peace be upon him. Why should it be strange when someone is like this while viewing the creator?”[xi] Het gesprek kwam op de vraag over oprechtheid. Hasan zei, “Niemand is oprecht in zijn claim [op verlichting] die niet geduldig is onder de slagen van zijn meester.” …. Rabi’a zei, “Deze praat stinkt naar egoïsme.” Shaqiq zei, “Niemand is oprecht in zijn claim wie niet dankbaar is voor de slagen van zijn meester.”  Rabi’a zei, “We hebben iets beters nodig.” Malik Dinar zei, “Niemand is oprecht wie niet geniet van de slagen van zijn meester.” Rabi’a zei, “We hebben iets beters nodig.” Ze zeiden, “Zeg jij het nu maar.” Rabi’a zei, “Niemand is oprecht in zijn claim die de wond van de slag niet vergeet bij de aanblik van zijn meester. Hier is niets vreemds aan. De vrouwen van Egypte merkten de wond van de slag niet op toen zij keken naar Jozef, vrede zij met hem [Jozef was volgens de schrift heel mooi]. Waarom zou het vreemd zijn als iemand zo is als hij kijkt naar de schepper?” Hier passeren dus alle vormen van ascese de revue en er deugt er geen één, behalve die zegt dat je het lijden vergeet bij de aanblik van de Schepper. En als je het lijden niet vergeet bij de aanblik van Jezus in je medemens zeg ik er maar bij.

Het dilemma over de eigen inspanning die niet veel waard is wordt ook ontroerend mooi verwoord in een anekdote die over Rabi’a wordt verteld. Ik heb ze al vaker gebruikt, maar ik kom er niet onderuit ze hier nog eens te noemen … een Islamitische wijze ging eens naar Mekka, maar hij trof de Ka’ba, de grote, zwarte steen in Mekka, daar niet aan. De mensen zeiden hem ... de Ka’ba is weg om een vrouw, Rabi’a al-‘Adawiya, te verwelkomen. De wijze was geschokt, want hij had veertien jaar gebeden voor dit moment en nu was de Ka’ba er niet. Toen hij Rabi’a later tegenkwam, zei hij tegen haar ... Yes, indeed, for fourteen years I traversed the desert in prayers! Rabi’a zei ‘You traversed it in prayer, I in longing’ ... ja, inderdaad, gedurende veertien jaar heb ik de woestijn doorkruist in gebed! Rabi’a zei ... jij doorkruiste hem in gebed, ik in verlangen. Dit soort fenomenale uitspraken deden Rabi’a haar tijd overleven tot op de dag van vandaag.

Maar ook de Ka’ba was God niet en ze kon zelfs mopperen op de Ka’ba … in the middle of the desert, she saw that the Ka’ba had come out to welcome her. Rabi’a said, “I need the lord of the house. What am I to do with the house? Its power means nothing to me. What delight is there in the Ka’ba’s beauty? What I need to welcome me is the one who said ‘whoever approaches me by a hand’s span, I will approach him by an arm’s span.’ Why should I look at the Ka’ba?” [xii][xiii] Midden in de woestijn zag ze dat de Ka’ba gekomen was om haar te verwelkomen. Rabi’a, “Ik heb de Heer van het huis nodig. Wat moet ik met het huis? Zijn macht betekent niets voor mij. Wat voor genot zit er in de schoonheid van de Ka’ba? Wie ik nodig heb om mij te verwelkomen is Degene die zei ‘wie mij ook maar benadert met de lengte van een hand, die zal Ik benaderen met de lengte van een arm.’ Waarom zou ik kijken naar de Ka’ba?” Ze weeft haar tekst rondom één van de grootste woorden uit de Koran, woorden waardoor de wijzen ophouden met spreken.

Rabi’a kon ook Mohammed een blauwtje laten lopen … she said, “ … I saw the Prophet in a dream. He said, ‘Rabi’a, do you love me?’ I said, ‘O, Prophet of God, who is there who doesn’t love you? But the love of the real has so pervaded me that there is no place in my heart for love ( … ) of another.’” Ze zei, “ … Ik zag in een droom de Profeet. Hij zei, ‘Rabi’a, hou je van mij?’ Ik zei, ‘O, Profeet van God, wie zou niet van je houden? Maar de liefde voor de Werkelijke heeft mij zó doordrongen dat er geen plaats meer is in mijn hart voor liefde voor een ander.”

 

III

De ascese vormt voor de verlichte zelf ook een groot probleem. Want waarom is hij uitverkoren voor deze zoektocht, als hij er zelf niets voor hoeft terug te doen? Waarom is hij veroordeeld tot deze zoektocht, zoals Job al klaagde, want de gruwelen die ermee gepaard gaan voelen niet aan als een uitverkiezing tot iets zó groot in schoonheid en waarheid dat het nergens mee te vergelijken is. Waar is de oorzaak? Is er schuld zoals de vrienden van Job zeiden? Daar wordt God boos om. Rabi’a said, “It is an evil servant who worships his Lord out of fear or out of desire for reward.” [xiv] Het is een slechte dienaar die zijn Heer aanbidt uit angst of vanuit een verlangen naar beloning. God wordt ook boos om de claim van onschuld van Job. Niemand is goed dan God alleen. Maar wat is het dan wel? Job moet de beproeving doorstaan zonder commentaar, zich onderwerpend aan de wil van God. Uitleg wordt niet gegeven. Gods servants will learn to see him without hope for reward or fear of punishment. De dienaren van God zullen leren om Hem te zien zonder hoop op beloning of angst voor straf. Maar als Job dat doet, als hij zijn hoofd buigt, dan kan zijn geluk niet meer op. Hij krijgt veel meer dan hij ooit heeft gehad. Bij Job is het dan dat hij zijn bezit terugkrijgt en nieuwe kinderen, maar dat is nauwelijks een oplossing als je je eerdere kinderen nooit meer ziet. Het einde van het boek Job staat natuurlijk voor een door mensen niet te begrijpen oplossing van de menselijke conditie, een tussenbeide komen van God, nadat hij de duivel zijn gang heeft laten gaan. De mystici komen God dan zélf tegen, zoals Teresa van Avila Zijne Majesteit ontmoette in haar gebeden. Zonder dat de mens ooit weet hoe dat kan wordt dan waar wat in de Apocalyps staat en wat het menselijk verstand te boven gaat … en Hij zal alle tranen van hun ogen afwissen, en de dood zal niet meer zijn; geen rouw, geen geween, geen smart zal er zijn, want al het oude is voorbij …[xv] … wie dorst heeft zal ik te drinken geven uit de bron van het water des levens, om niet. Wie overwint zal dit alles krijgen, en Ik zal zijn God zijn en hij mijn zoon [xvi]

Waarom ik? Is een vraag die een mens niet mag stellen. Het is een poging tot doordringen in het mysterie en dat is aan de mens niet geoorloofd. De mens heeft maar één keus zonder vragen te stellen. Ja of nee. Dat heeft Teresa ook geleerd en tenslotte kon ze alleen maar dankbaar zijn. Verdiend had ze het niet, dat wist ze. Ze snapte er feitelijk niets meer van. Het enige wat ze wist was dat God, haar Jezus, haar beminde. Tot haar onuitsprekelijke verbazing. Zonder genade komt niemand tot God. Het oude dilemma, de tegenstelling tussen genade en de vrije wil, kan niet worden opgelost. De Aristotelische logica hindert ons hier, want dan moet het het één of het ander zijn, of iets er tussen in. En al die oplossingen lossen niets op. De Boeddha zegt hier dan dat we de paren van tegenstellingen moeten overstijgen. We moeten eerbiedig terugtreden voor het mysterie.

Paulus was de grootste boef die men zich maar kon indenken voordat hij met blindheid werd geslagen op de weg naar Damascus. Hij was een moordenaar. David ook, hij liet de man omkomen van wie hij de vrouw wilde hebben. Franciscus was een losbol die oorlog voerde met Perugia, de naburige stad, en toen het erop aan kwam te slap was om op kruistocht te gaan. Hij draaide zich bij het eerstvolgende dorp, in Spoleto, al om. Een schande. Gewoon maar uitverkoren te zijn zonder tegenprestatie is voor een mens haast niet te aanvaarden. De meeste mystici vinden zichzelf veel slechter dan de eerste de beste man uit de straat en dan zit je op zijn minst dus toch met een logisch dilemma.

Maar ja, zoals Kierkegaard al zei, als we van Jezus een ethische figuur maken, iemand die alleen spreekt over de moraal, dan had hij er niet hoeven te zijn. Juist zoals de moderne mens denkt over de kerk. Ze heeft het alleen over wat er niet mag en wat er moet. Dan hoeft zij er inderdaad niet te zijn. De zoektocht naar de liefde is met ethiek niet beschreven. Die zoektocht die in het begin vaak wordt beleefd als een vonnis en een straffe Gods, later pas als een uitverkiezing, kun je niet verdienen. Van de heilige broeder die in verband gebracht wordt met het Mariaoord Altötting stamt het gevleugelde woord … sich lieben lassen. Dat is alles. Voor de mens die zich tijdenlang afgepeigerd heeft om God toch maar waardig te worden – abtötung zoals alleen de Duitser het zo mooi kan zeggen-, kan dit bij al het andere toch een behoorlijk hilarisch ogenblik opleveren. De schaterlach van Satori, bijvoorbeeld, in Zen moet hier wel iets mee te maken hebben. A simple yes and the thing is done … zegt Epictetus. De Boeddha als jonge man, Siddharta Gautama, vond het bij de asceten niet en na zes jaar vertrok hij daar als risée van die gemeenschap. De verlichting vond hij daarna pas in die ene nacht onder de Bodhi-boom. Jammer dat we daar het fijne niet van weten, alleen dat hij de hele nacht werd gekweld door Mara, de duivel. Wat die hem heeft ingefluisterd, daar kunnen we wel wat educated guesses naar doen. Hoe het echter tegen de morgen is opgelost dat weten wij, gewone stervelingen, niet. Maar ja, als de verlichting, de ontmoeting met Jezus, onder woorden te brengen zou zijn, dan was zij waarschijnlijk ook de moeite niet waard. De Tao die onder woorden te brengen is, is de Tao niet, zijn de eerste woorden van de Tao Teh Ching.

Rabi’a was er helemaal gerust op. Haar verlangen was genoeg. Mundir en Nakir zijn de gruwelijke engelen die bij zijn dood het hart uit de mens scheuren met de blote handen en het vervolgens naar zijn lot slingeren, de hel of de hemel. Zij spreekt over hen heel gemoedelijk  … deze twee jonge heren. … it is related that she was seen in a dream. She was asked, “Tell us about Mundir and Nakir.“ She said, “When those young gentlemen came to me and said, ‘Who is your Lord?‘ I said, ‘Go back to the real and say, “Out of many thousand creatures, you didn’t forget an old woman? Out of all the world, I have only you. Do I ever forget you, so that you need to send someone to ask, ‘Who is your Lord?’” “O Lord, if tomorrow you put me in hell, I will cry out, ‘You have befriended me. Is this how one treats friends?‘” A voice called out. Rabi’a, do not think ill of us. Be assured that we will bring you into the circle of our friends, so you may converse with us.” Er wordt verteld dat zij ooit in een droom verscheen. Haar werd gevraagd, “Vertel ons over Mundir en Nakir.“ Ze zei, “Toen deze jonge heren bij mij kwamen en zeiden, ‘Wie is je Heer?‘ zei ik, ‘Ga terug naar de Werkelijke en zeg, “Uit vele duizenden schepsels ben je een oude vrouw niet vergeten? Van alles in de wereld heb ik alleen Jou. Ben ik Je ooit vergeten, zodat Je het nodig vindt iemand naar mij toe te sturen om te vragen, ‘Wie is je Heer?’” “O Heer, als je mij morgen naar de hel stuurt, zal ik uitroepen, ‘Je hebt je opgedrongen als Vriend van mij. Is dit een manier om een vriend te behandelen?‘” Een stem klonk [ uit de hemel]. Rabi’a, denk niet slecht over Ons. Ben ervan verzekerd dat We je zullen brengen in de kring van onze vrienden, zodat je bij ons kunt zijn.” Ze kon dus vertrouwelijk omgaan met God … You come to me, right here… zei ze eens.

Meister Eckhart spreekt over twee vormen van schuld, eentje waar een mens ongelukkig van wordt – omdat hij hem verwijdert van God - en eentje waar hij gelukkig van wordt en die naar God toe leidt. Een mens kan niet volmaakt zijn. Als hij dat begrijpt en zich toch over kan geven aan de liefde Gods, dan heeft hij er wat van begrepen … they asked, “When is a servant of God contented?” She said, “When he is as thankful for tribulation as he is for bliss.” They asked, “If a sinner repents, does he accept him or not?“ She said, “How can he repent, unless the Lord gives him repentance and accepts him? Unless he gives him repentance he cannot repent.” [xvii]  Ze vroegen, “Wanneer is een dienaar van God tevreden?” Ze zei, “Als hij net zo dankbaar is voor moeilijkheden als voor geluk.” Ze vroegen, “Als een zondaar berouw heeft, accepteert God hem dan of niet?“ Zij zei, “Hoe kan hij berouw hebben, als de Heer hem geen berouw geeft en God hem accepteert? Zonder dat God hem berouw geeft, kan hij geen berouw hebben.” Dit zegt de Talmoed ook. Berouw komt van God. Berouw betekent een besef van verwijdering van de grond van je bestaan, van de liefde. Als dit niet onmiddellijk zou worden gevolgd door vergeving zou de mens op slag tot niets gaan. Verkruimelen op de plek. Zo geformuleerd, zegt de Talmoed ook, is berouw een ander woord voor geloof. Rabi’a … One day she saw a man saying , “O sorrow!” She said, “Say it this way: O, without sorrow! For if you were sorrowful, you wouldn’t have the gall to breathe.” Op een dag zag ze een man die zei, “O wat een leed! [ ten aanzien van zijn relatie met God]” Zij zei, “Zeg het maar op deze manier: O, zonder leed! Want als je echt leed [ om je relatie tot God] had dan zou je niet het lef hebben om te ademen.”

Als je begrijpt dat de Christelijke nederigheid de toegangspoort is tot de smalle weg die leidt naar het Koninkrijk der Hemelen dan ben je een grote stap verder. Toen kon Rabi’a gemoedelijk zijn tegenover God en toen Teresa van Avila zei dat God op haar mesthoop nog een mooie bloem had laten groeien, op dat ogenblik ging het goed met haar. En toen kon Teresa op haar sterfbed in Alba de Tormes heel huiselijk zeggen … it is time we met. Het is onderhand tijd dat we elkaar ontmoeten. De straffe Gods, het laatste oordeel, de hel, verdwijnen dan helemaal uit beeld.

Salih Murri, God’s mercy upon him, often used to say, “Whoever knocks at a door will have it opened in the end.” Once Rabi’a was present. She said, “How long will you say, ‘He will open it again’? Salih said, “Amazing! An ignorant man and a wise weak woman.” [xviii] Salih Murri, Gods genade moge op hem zijn, was gewoon vaak te zeggen, “Wie klopt aan een deur zal ze tenslotte geopend zien.” Eens was Rabi’a erbij. Zij zei, “Hoe lang ga je nog zeggen, ‘Hij zal ze weer open maken’? Salih zei, “Wonderbaarlijk! Een onwetende man en een wijze, zwakke vrouw.” De deur naar God staat natuurlijk altijd open. Wij krijgen ze met onze zonden en onze trouweloosheid echt niet dicht. Paus Franciscus zei in zijn audiëntie van 24 mei 2017 … noi continuiamo ad essere amati, e Dio non smetterà mai di volerci bene. Dio camminerà con noi sempre, sempre, anche nei momenti più dolorosi, anche nei momenti più brutti, anche nei momenti della sconfitta: lì c’è il Signore. E questa è la nostra speranza. Andiamo avanti con questa speranza! Perché Lui è accanto a noi e cammina con noi, sempre! Wij blijven bemind worden en God laat nooit na van ons te houden. God trekt met ons mee, altijd, altijd, ook in meest pijnlijke ogenblikken, ook in de lelijkste ogenblikken, ook in de ogenblikken van nederlaag: daar is de Heer. En dat juist is onze hoop. Laten we voortgaan in die hoop! Want hij staat naast ons en trekt met ons voort, altijd!

 

IV

Dit dilemma van de mysticus, wat hij zelf moeten doen en wat God voor hem doet, daar is geen antwoord op. De spanning ervan moet volledig worden doorleden. Zij kan geen omweg verdragen. Het is de moeilijkste en de laatste fase voor de vereniging met God zelf. Datgene wat niet met menselijke woorden uit te drukken is. Literatoren verbazen zich er soms over waarom Sint Jan van het Kruis de laatste strofen van zijn donkere nacht van de ziel niet meer van commentaar voorzag. Hij is niet oud geworden, maar hij had het nog best kunnen doen. Hij had er waarschijnlijk de woorden niet meer voor.  

En dit zijn die laatste woorden van Sint Jan van het Kruis

 

Oh, night more lovely than the dawn,

Oh, night that joined Beloved with lover,

Lover transformed in the Beloved.

 

¡oh noche que juntaste

amado con amada,

amada en el amado transformada!                 

 

O nacht die verenigde

Minnaar met Beminde,

Die omvormde

Minnaar tot Beminde.  

 

En mi pecho florido,

que entero para él solo se guardaba,

allí quedó dormido,

y yo le regalaba,

y el ventalle de cedros aire daba.

 

Upon my flowery breast,

Kept wholly for himself alone,

There he stayed sleeping, and I caressed him,

And the fanning of the cedars made a breeze.

 

Op míjn borst, bedekt met bloemen,

Die hij hield vòòr zichzelf alleen,

Lag hij slapend,

Terwijl ik teder bij hem bleef,

En een bries stak op uit het wuiven van de ceders.

 

El aire de la almena,

cuando yo sus cabellos esparcía,

con su mano serena

en mi cuello hería,

y todos mis sentidos suspendía. 

 

The breeze blew from the turret

As I parted his locks;

With his gentle hand he wounded m[xix]y neck

And caused all my senses to be suspended.

 

En de wind blies van de toren

Terwijl ik zíjn lokken wijken deed,

Met zíjn serene hand

Verwondde hij míjn hals

En bracht hij al míjn zinnen uit zichzelf.

 

Quedéme y olvidéme,

el rostro recliné sobre el amado,

cesó todo, y dejéme,

dejando mi cuidado

entre las azucenas olvidado.

 

I remained lost in oblivion.

My face reclined on the Beloved.

All ceased and I abandoned myself,

Leaving my cares forgotten among the lilies. 
 
En ik verloor mij in vergetelheid,
 
Mijn gelaat rustend tegen de Beminde.
 
Alles week en achter mij liet ik mijzelf
 
Mijn angst
 
Vergeten te midden van de lelies.

 

In die categorieën valt ook Rabi’a. Zij heeft de spanning zelf ook helemaal doorleden. They said, “why don’t you take a husband?” She said, “I am dismayed with care over three things. If you free me of these cares, I’ll take a husband. First, at the moment of death, will my faith be sound or not? Second, will they put the book of my deeds in my right hand or not? Third, which group will I be in on that hour which they lead a group to the right to paradise and a group to the left to hell?” They said, “we don’t know.” She said, “with such anguish before me, how can I be concerned about taking a husband?”[xx]Ze zeiden, “waarom neem je geen man?” Ze zei, “ik ben uit mijn evenwicht vanwege drie zorgen. Als je me bevrijdt van die zorgen neem ik een man. Ten eerste, op het ogenblik van mijn dood, zal mijn geloof sterk genoeg zijn of niet? Ten tweede, zullen ze het boek van mijn daden in mijn rechterhand plaatsen of niet? Ten derde, in welke groep zal ik zijn op dat uur, wanneer ze één groep leiden naar rechts naar het paradijs en de andere die ze leiden naar links naar de hel?” Ze zeiden, “Dat weten we niet.” Ze zei, “met een dergelijke angst vóór me, hoe zou ik dan ermee bezig kunnen zijn een man te nemen?

Rabi’a was aan Hem gewend geworden. Er is maar één voorwerp van verlangen en zorg, de goddelijke geliefde. En hier spreken Sint Jan van het Kruis en de Heilige Teresa van Avila over. Het volgende citaat lijkt op de huiselijk stijl waarmee Teresa God benaderde … it is related that Rabi’a was always weeping. Why do you weep so much?” they said. She said. “I’m afraid of being cut off, for I have grown accustomed to him. No voice must cry out at the moment of death, ‘You are not worthy of us!’” Er wordt verteld dat Rabi’a altijd huilde. “Waarom huil je zoveel?” zeiden ze. Zij zei. “Ik ben bang afgesneden te worden, want ik ben aan Hem gewend geworden. Geen stem moet uitroepen op het ogenblik van de dood, ‘Je bent ons niet waardig! … Alles wat ik nodig heb is dat jij van mij houdt, te weten of jij van mij houdt of niet. [xxi]

Veel mystici klagen over droogte, het gevoel van afwezigheid van God. Allemaal zeggen ze dat je dan toch door moet gaan en dat in dat doorgaan een grote deugd zit. En Rabi’a lost het radicaal op … and nightly she would say, “O Lord, make my heart present or accept my prayers without my heart.” [xxii] En iedere avond zei ze, “O Heer, maak mijn hart  klaar voor Jou of aanvaard mijn gebeden zonder mijn hart.”

Dhu-I-Nun al-Misri, een mysticus uit de Islam, geciteerd door al-Ghazzali, zegt op onnavolgbare wijze iets over die weg, ook al eens geciteerd, maar ook hier onvermijdelijk ... God has servants who grew trees of sins that were like guardians of the soul. They watered the trees with the water of repentance; the trees then produced regret and sadness. They became possessed without madness and idiotic without faltering or muteness. They are the profound, the eloquent, [those] that knew God and His Apostle. They drank from the cup of purity and achieved endurance throughout tribulation. Then they lost their hearts in the spiritual world and their thoughts roamed among the palaces veiling [God's] omnipotence. They sought shelter under the portico of regret, and read the ledger of sin. Then they were seized with anguish until they reached the height of asceticism on the ladder of piety. They found sweet the bitter [taste] of abandoning this world, and found supple the coarse bed, until they seized the thread of salvation and the grip of security. Their spirits roamed freely in the heights until they attained the gardens of pleasure. They plunged into the sea of life; filled in the trenches of anxiety and forded the bridges of passion until they descended to the courtyard of knowledge. They drank from the stream of wisdom; traveled on the ship of sagacity, and set sail, under the breeze of salvation, on the sea of security, until they reached the gardens of comfort, the source of glory and nobility.[xxiii]

God heeft dienaren die bomen van zonden kweekten die waren als wachters voor de ziel. Ze gaven de bomen water met het water van berouw; de bomen brachten spijt en droefheid voort. Zij werden bezeten zonder gek te worden en idioot zonder stamelen of stomheid. Zij zijn de diepzinnigen, de welsprekenden, zij die God en zijn Apostel kenden. Zij dronken van de beker van zuiverheid en bereikten lijdzaamheid door beproeving. Dan verloren ze hun hart in de geestelijke wereld en hun gedachten zwierven door de paleizen die Gods almacht verbergen. Zij zochten beschutting onder de portico van spijt, en lazen het grootboek van de zonde. Vervolgens werden zij gegrepen door angst totdat zij het hoogste van het ascetische bereikten op de ladder van vroomheid. Zij vonden het zoet de bittere smaak van deze wereld te verlaten en vonden soepel het ruwe bed, totdat zij grepen de draad van verlossing en het handvat van bescherming. Hun geest zwierf veilig in de hoogten totdat zij de tuinen van genot bereikten. Zij doken in de zee van het leven; zij vulden op de voren van angst en staken de bruggen van passie over totdat zij neerdaalden op de binnenplaats van kennis. Zij dronken van de stroom van wijsheid; reisden op het schip van scherpzinnigheid,  en hesen de zeilen, onder de bries van verlossing, op de zee van bescherming, totdat zij bereikten de tuinen van vertroosting, de bronnen van glorie en adel.

Rabi’a was een mens die haar lamp liet schijnen op de allerinnerlijkste raderwerken van de Schepping, haar binnenste schatkamers, ten koste van de grootste offers die die door een mens te brengen zijn, waarvan het leven geven niet alleen een slappe uitdrukking is, maar ook een onjuiste, want in heel deze processen speelt de grens van leven en dood geen rol meer. Als zij uit haar vonnis weg had willen stappen zou de dood er geen effect op hebben en dat wist ze. Zo was zij een verlossend licht op de donkere weg van menige mens, nu 1200 jaar na dato nog. Met haar kan geen I.S. bestaan. Zo is ook het verwijt van het elitarisme gemakkelijk te weerleggen, wat uit het volgende zou kunnen blijken ... “O my God, my work and my desire, in all this world, is recollection of you, and in the afterworld, meeting with you. This is what is mine – you do as you will.”[xxiv] “O mijn God, mijn werk en mijn verlangen, in deze hele wereld, zijn mijn aanbidding van Jou, en in de hemel Jou te ontmoeten. Dit is wat ik inbreng – Jij doet maar wat Jij wil.” Zij heeft voor velen in de geschiedenis ontzaglijk veel betekend. Zij was een dokter van de ziel. God vind je in iedere medemens, want het tweede gebod is bijna nog groter dan het eerste. Iemand die mensen nog helpt 1200 jaar na de dood die heeft ook zeker zijn rol gespeeld in de schepping.

 

V

Rabi’a is de belangrijkste vrouw uit het Soefisme. Zij wordt ook genoemd: afgevaardigde van Maria, de Zuivere. En van Maria wordt weer gezegd … When on the morrow on the plain of resurrection they call out, ‘O men, the first person to step into the ranks of men will be Mary.’[xxv] Als ze op de morgen van de opstanding uitroepen, ‘O mens, de eerste die in de rangen van de mens zal treden, is Maria.’ [ Ik heb maar de vrijheid genomen ‘man‘ met ‘mens‘ te vertalen]. Daarom ook wordt over haar gezegd… She heard a voice say, “do not be sad. Tomorrow a grandeur will be yours such that the closest of the heavenly company will take pride in you”. Ze hoorde een stem zeggen, “ben niet bedroefd. Morgen zal zoiets groots je ten deel vallen, dat het deel van het hemelse gezelschap, dat Ons het meest nabij is, trots zal zijn, juist op jou.”

En één van de woorden waardoor ze de tijd heeft overleefd en die alleen de allergrootsten kunnen voortbrengen … “O Lord, if I worship you out of fear of hell, burn me in hell. If I worship you in the hope of paradise, forbid it to me. And if I worship you for your own sake, do not deprive me of your eternal beauty.”[xxvi]“O Heer, als ik jou aanbid uit angst voor de hel, verbrand mij erin. Als ik Jou aanbid in de hoop op de hemel, sluit hem voor mij af. Als ik Jou aanbid omwille van Jezelf, onthoud me dan niet je eeuwige schoonheid.”

Wim Beurskens



[i] 1 Kor. 13,1, Statenvertaling

[ii] Early Islamic Mysticism, Classics of Western Spirituality. 1995, p. 166

[iii] Op. Cit. p. 165

[iv] Op .Cit. p.167

 [v] Thomas a Kempis, The Imitation of Christ, Penguin, p. 15.

[vi] Thomas a Kempis, The Imitation of Christ, Penguin, p. 87

[vii] Op. Cit. P. 167

[viii] Hoogl. 8,6-7

[ix] Op. Cit. p. 166

 [x] Christmas Humphreys Buddhism p. 82.

[xi] Op. Cit. p. 168

[xii] Op. Cit. P. 157

[xiii] Op. Cit p. 157

[xiv] Op. Cit. p. 166

[xv] Apoc. 21,4

[xvi] Apoc. 6-7

[xvii] 0p. Cit. p. 163

[xviii] Op. Cit. P. 164

 

[xx] Op. Cit. P. 162

[xxi] Op. Cit. P. 156

[xxii] Op. Cit. P. 170

[xxiii] Abu Hamid al-Ghazzali, Repentance, P. 53

[xxiv] Op. Cit. P. 170

[xxv] Op. Cit. P. 155

[xxvi] Op. Cit. P. 168