Afscheid Jan Vullings

29 januari 2017, crematorium Kitskensdal

Ut begint op te sjeete … zei Jan toen hij zijn einde voelde naderen. Dat kon hij onder ogen zien. Hij was trots op zijn verleden als marinier. Met die principes moest je het leven te lijf gaan. En dan was je altijd wunschlos glücklich. Jan klaagde nooit … Jao, ut is neet angers, ich kan d’r nieks aan doon. Zo is ut laeve, zei hij de vorige week nog vaker.

Die jaarlijkse tocht naar Margraten en naar Gerardus in Wittem en niet te vergeten naar het café op de hoek, waar hij de mensen persoonlijk kende, met die gegevens is het leven van Jan al een eind getekend.

Jan moest niets hebben van instituties, van verenigingen, van massa, van anonimiteit. Onze hobby’s, passiespelen van mij en Carnavalissimo van Huub, waar maken mensen zich druk om. Zijn betrekkingen met mensen waren altijd persoonlijk en hevig. Zoals we hier zitten hebben we allemaal ons eigen verhaal met Jan. Soms stormachtig. Niemand zit hier als vertegenwoordiger van iets. Iedereen zit hier voor zich zelf. En betekent wat, dat is niet zomaar iets.

Dus ook met de kerk had hij niets. Hij weet niet beter … zei hij over mij. Maar dat moet iedereen zelf weten. Gistermorgen heb ik in Asselt toch een mis voor hem laten doen. Ik weet niet of hij dat heeft kunnen waarderen. Maar als de kat van huis is dansen de muizen op tafel.

Ik geloof wel, zeker, zei hij altijd, maar met georganiseerd geloof, nee, daar had hij niets mee. En daar had hij dan zijn kleurrijke woorden voor, die ik beter hier nu niet kan herhalen. Maar die kent U zelf ook. Laat ze maar eens effe door het hoofd spelen.

Zoals die keer toen hij pas uit dienst kwam en hij stond praten met zijn kameraden onder de kerktoren tijdens de mis en toen de pastoor hem daar probeerde weg te jagen. Hie kom ich nooit meer truuk. Maar in zijn geloof past wel een jaarlijkse tocht naar Wittem, waar hij voor iedereen een kaars op stak.

Wat ook paste was zijn jaarlijkse reis naar Margraten. En zo’n gang naar de plechtigheid van het Indiëmonument in Roermond, daar was Jan ook altijd bij. Zijn enorme verontwaardiging toen daar alle koper gestolen was. Hij vond het ook eervol in de voorgeschiedenis van zijn familie, dat zijn grootvader van moeders zijde gesneuveld was in de Chinese zee. Zijn militaire verleden dat hem over de hele wereld bracht heeft hem ook getekend. Hij had wat martiaals, wat militairs. In zijn werk ook, altijd op tijd, hard werken, geen millimeter uit het verband.

Mensen die wat bereikt hadden met hard werken en discipline en principes, dat waren mensen naar zijn hart, zoals zijn grootvader Fieje Sjang, die als de kinderen kwamen zoals Jan zich omdraaide naar de brandkast en daar dan wat uit gaf. En hoe die Pater schouwenberg altijd een motor meegaf naar de missie. En hoe Fieje Sjang Jan als veertienjarige alleen aan de cementmolen zag staan en toen naar leiding van het werk stapte en daar optrad. Dat kon niet. Zo’n mensen, daar hield hij van. Dat waren zijn voorbeelden. Jan had een sterk gevoel voor rechtvaardigheid.

Slappigheid kan hij niet uitstaan. En iets niet zeggen omdat je het niet durfde te zeggen, dat was niets voor Jan. Hij kon flink uitpakken, als hem iets niet zinde. Dat hebben er velen meegemaakt. Als hem de bediening in een bepaalde zaak niet zinde, dan kon hij binnentreden met een donderend Goedemorgen vriendelijke dames.

En zo’n soort optredens kon hij met veel humor navertellen. Hij kon echt theater maken. Een klassiek verhalenverteller was hij. Unne echte sjpraeker.

Jan had respect voor ieder mens, maar hij liet zich niet door standsverschillen remmen. Ook met zijn dokters had hij altijd persoonlijke relaties. Als Jan kwam dan wisten ze het, wat voor titel ze ook hadden.

Zijn geld ging hij niet halen uit een automaat, dat moest hij krijgen van iemand zijn die hij in de ogen kon kijken

Jan had talloze contacten op heel veel verschillende plaatsen, mensen die elkaar onderling soms nauwelijks kenden. In Swalmen. In Oostenrijk, in  Duitsland. De Monicaspelers, de Poolse mensen die hij bij Jeuke van Giebelen tegenkwam, de Taboons uit Australië. Die waren allemaal goed voor prachtige verhalen.

Vorig jaar was er nog iemand, die geëmigreerd was naar Nieuw-Zeeland heel lang geleden. Ik herinner me dat het in die tijd bij ons thuis als Jan op bezoek was een heel thema was. Zo’n emigratie. Die van Nollen. En die wilde na zo’n lange tijd Jan ontmoeten, want het waren in dat café aan de grens toch zo’n mooie tijden geweest.

Mijn vader die daar ook bij was leeft niet meer en Jan vroeg mij om daarbij te zijn omdat hij de ontmoeting alleen niet aankon. Dat brengt me op iets dat ik hier toch ook even wil zeggen. Als je het bij Jan verbruid had dan was het afgelopen, dat is zeker waar, maar het laatste jaar speelde er ook nog iets anders, waar we ons misschien niet zo bewust van zijn geweest.  Want Jan hield zich altijd groot.

Jan heeft de laatste tijd heel veel noodgedwongen moeten laten schieten, omdat hij zo erg ziek was. Dat stak hem zelf nog het meest en dat moet hem vaak door het hoofd gespeeld hebben als hij daar alleen op zijn bank zat, want veel meer kon hij niet. Alles werd langzaam te veel. Maar zijn zwakte bekennen, dat kon hij niet goed. Half werk kon niet.

Zo’n karakter en zo’n levensstijl vragen heel veel energie en die had hij al lang niet meer. Het was alles of niets voor Jan. En de laatste tijd was het vaak niets.

Maar we willen ons Jan herinneren als de man die hij was in de bloei van zijn leven, toen hij nog de show kon stelen in een gesprek, met zijn humor, zijn persiflages. Als hij vertelde over zijn vakanties in Oostenrijk. En die gingen wel over moeilijk begaanbare passen, de Wörther See, de Karawanken, de Loiblpas, over Slovenië, maar toch vooral over mensen, dat was zijn grootste passie, hoe ze waren, hoe ze leefden, daar kon hij eindeloos over vertellen, over Rudi van Schuppe uit Velden bijvoorbeeld.

Jan heeft heel veel voor heel veel mensen gedaan en als ze hem niet konden betalen dan vroeg hij ook niets. Hij heeft heel hard gewerkt als metselaar en anderszins, ook buiten de gewone uren om. Met militaire discipline. En als je dan in een gezin kwam waar geen geld was en waar zo’n kleine druupkes rondliepen dan kon je daar toch niets voor vragen. Zo höb ich ut altied gedaon en dao höb ich gènne sjpiet van. Geld was hem niet aan het hart gebonden.

Jan is in zijn latere leven wijn gaan drinken en daar had hij langzaamaan verstand van, ook van de Pfalz, waar die wijn vandaan kwam, maar het ging toch vooral over de mensen die hij daar tegenkwam, de mensen die de wijn en de likeuren maakten. Meneer Grosse Hartlage uit de Pfalz is hier. Ik heb hem nooit ontmoet, maar ik heb het gevoel dat ik  hem al heel lang ken en ook de mensen om hem heen. Want Jan hield van mensen.

Je moest weten hoe je een haring schoon maakte en de discipline waarmee dat omgeven moest zijn en daar deed Jan dan een schepje bovenop in de zaak van van der Zwan, maar vooral ging het toch om de mensen die daar ook werkten en die in de zaak kwamen.

Je moest bij Jan horizontaal programmeren, altijd hetzelfde op hetzelfde tijdstip in de week. Alles op zijn tijd. Zondags na de hoogmis is bij ons heilig geweest al veertig jaar want dan kwam Jan altijd en dat kon je niet naar maandag verschuiven.

Jan stond alleen, maar hij had altijd veel mensen om zich heen. Veel mensen die iets voor deden. Ook op het laatst. In het ziekenhuis zeiden ze, hoe kan dat dat jullie nu pas met hem komen? Dat kwam omdat iedereen zich inzette voor Jan. Dat trok hij aan.

Bij Jan kwam je graag en je zag hem graag komen, want je kreeg er ook altijd veel voor terug. Nooit een saai ogenblik met Jan. Hem zag je nooit over het hoofd.

Jan leefde van zijn vriendschappen en velen hebben van zijn vriendschap geleefd door zijn leven heen. Hij bracht licht en kleur en lol om zich heen en we zullen hem erg missen. Hij was uniek en iemand als hij komt nooit meer terug. Als je op zijn achterdeur klopte kwam het knallende commando … Herein! Den daarna stühlen sie sich. Dat zal nog lang in onze oren doorklinken.