Column: Plotinus

 

Plotinus

 

Door Wim Beurskens

 

Je kunt het wel eens hebben dat een boek je in de ogen brandt, omdat je het beslist nog moet lezen. Dat heb ik al een tijdje met de Enneaden van Plotinus (204-270). Een beetje amateurfilosoof kan er niet omheen. Plotinus was niet alleen een formidabele denker, maar ook een goed mens, zoals Pofyrius van Tyrus, de bezorger van zijn teksten, zegt. Geweldige denkers interesseren me niet zo veel. De mot vreet eraan, voordat ze het zelf weten. Je breekt je er het hoofd over om ze te snappen. Vervolgens blijken ze hetzelfde te denken als de anderen, over je wie je je het hoofd brak om ze te snappen. Er zijn er maar weinig die echt tijdloos zijn. René Descartes is ermee begonnen zelf wat te bedenken buiten de religieuze tradities om en toen is het nog erger geworden. Boekenplanken zijn er vol van en het wordt steeds gekker. Plotinus is één van de uitzonderingen. Hij was een formidabele denker, die zijn denken ook nog eens in de praktijk bracht en daar moet je wat mee.

Bovendien moet het denken van iemand die de tand des tijds heeft doorstaan goed van inhoud zijn. Aan de vraag wie er bepaalt of een denken goed van inhoud is gaan we voorbij, maar er zijn ook tijdloze denkers, van wie het denken een slechte inhoud heeft. Van hen moet je je ook verre houden. Denk maar eens aan Friedrich Nietsche en zijn geesteskinderen of Karl Marx en de zijne. In de negentiende eeuw is er aan de romantische oevers van de Rijn veel akeligs bedacht door anderszins schijnbaar vredelievende mensen. Het moet wel de Lorelei zijn geweest. Maar toch, die geleerden waren beslist wel aardig tegen degene die hun de koffie bracht. Een groot denker met een slechte inhoud, maar toch een goed mens, dat kan dus ook nog. Omdat hij zijn denken niet in de praktijk brengt.

Met Plotinus ben ik nu eindelijk bezig mijn oude schuld in te lossen. Het was dus een tijdloos denker die zijn denken in de praktijk bracht en van wie het denken een goede inhoud had. Het Christendom heeft veel te danken aan de Grieken, en Plotinus, als Neo-platoon, was één van de epigonen. De blunder van Regensburg door de huidige paus hield in dat onze traditie álles te maken heeft met de Grieken en onlosmakelijk met hen verbonden is. Daarom deugt de Islam ook niet, want omdat ze de Grieken niet hebben gehad kunnen ze niet denken. Jezus zélf kon niet zonder de Grieken. Maar zó erg is het dus nu ook weer niet.

Wat is nu het verschil tussen een grote en tijdloze geest buiten de gelovige tradities om, zoals Plotinus, en tijdloze denkers binnen de gelovige tradities? Het onderscheid tussen de gelovige tradities wil ik met opzet buiten beschouwing laten. Ik zoek naar het verschil tussen Plotinus en bijvoorbeeld de heilige Teresa van Avila uit de catholica en naar het verschil tussen Plotinus en een grote uit De Islam, bijvoorbeeld de geleerde mysticus Abu Hamid al-Ghazzali. Deze twee lijken sterk op elkaar, maar ze hebben samen wél een afstand tot Plotinus.

Het eerste wat echt opvalt is dat bij Plotinus God maar een magere plaats krijgt toebedeeld. Dat zou hét grote verschil kunnen zijn. Soms heeft hij het over God, het Goddelijke, de Eeuwige Ziel, maar hij spreekt nog meer over het goede, het authentieke principe, de term, uit het Grieks haast onvertaalbare woorden, want zij slaan niet op begrippen die wij van nature kennen. We hebben ze niet iedere dag op de lippen. En als je ze eenmaal met genoeg moeite begrijpt, dan hoeven ze niet meer vertaald te worden. Dan kun je net zo goed de Griekse woorden laten staan, want er is niets gelijkwaardigs in de eigen taal dat de betekenis meteen overbrengt. Je merkt het als je een vertaling in een andere taal leest. Dan is het opnieuw weer een hele kluif om er uit wijs te worden. 

Niettemin is dit maar een lage drempel, die overkomen kan worden. Het is geen verboden oefening om voor al die moeilijke woorden van Plotinus het woord God maar in de plaats te zetten. Dan ben je meteen van alles af. Het goede is God, het Authentieke Principe is God, de Eeuwige Ziel is God en de Term is ook God. Dat is geoorloofd omdat er nogal wat mag en niet mag met godsbeelden. De Islam en de Reformatie zeggen dat geen enkele afbeelding van God toegestaan is. Het protestantisme is voor de verleiding gevallen om toch beelden van God in woorden en taal toe te laten. Het lijkt niet in te zien, dat ook die niet absoluut zijn. De honderden protestantse groepen die er zijn kun je allemaal onderscheiden aan hun taal, anders waren ze er immers niet. Aan de preek van een dominee, hoe goed die vaak ook is, kun je nogal eens gauw horen van welke bloedgroep hij is. Het ene godsbeeld, dat sneuvelde in de beeldenstorm, is slechts voor het andere ingewisseld. De Islam is veel radicaler en verklaart de Koran zelfs tot onvertaalbaar. In feite moet de Moslim eigenlijk Arabisch leren. De katholieke en Hindoeïstische tradities zeggen, dat zowat elk godsbeeld mag, zolang je het maar niet absoluut stelt. Als het je maar helpt God te zien. En doorheen het Hindoeïstische pantheon schemert de Ene Brahman. Het polytheïsme van de Hindoe, dat lijkt maar zo. En ook de zuiverste vorm van het Boeddhisme, de Theravada, ontwikkelde zich tot de Mahayana, dat niet zonder godsbeelden kon. Avalokiteshvara is een reïncarnatie die veel weg heeft van het Christusbeeld in het monophysitisme, de Christenen die vonden dat Jezus alleen maar God was en geen mens. Godsdiensten gaan dus op een verschillende manier om met het door mensen vervaardigde godsbeeld, maar alle vinden ze het een griezelig en groot probleem.

Plotinus is wat dat betreft een stuk degelijker. Ondanks al zijn verschillende woorden heeft hij het toch maar steeds over het Ene. Het hoogste is voor hem ondeelbaar. Als je al zijn aanduidingen van hetzelfde goddelijk noemt, dan was hij zuiver monotheïstisch. Hij spreekt slechts over één God. En zijn godsbeeld lijkt dan sterk op het uitgeklede godsbeeld van de mystici uit de katholieke traditie, de mensen, die zeggen, dat tenslotte over God niets te zeggen valt, de God van het Y en el monte nada ... en op de berg was er niets ... van Sint Jan van het Kruis. Plotinus was dus een monotheïst avant-la-lettre. En zijn godsbeeld was een stuk zuiverder dan dat van menig latere traditie.

Dan hebben we het verschil dus nog niet gevonden. Maar het is er wél. Plotinus denkt dat je met een heroïsche inspanning dat ene kunt bereiken, met dat Ene één kunt worden. Dan heb je het probleem van het leven opgelost en ben je gelukkig. Hierin lijkt hij sterk op het Boeddhisme uit de Theravada. De mens kan zélf de afstand tot God overbruggen. Hij kan zijn eigen verlosser zijn. Je hoeft alleen maar te weten hoe het moet. Plotinus ziet in, dat velen dat niet kunnen of willen. Zij kiezen dan wél voor een minderwaardige vorm van leven en lopen de enige kans op geluk in dit leven mis.

Wanneer gij niet wordt als één van deze kinderen hier zult gij het Koninkrijk Gods niet binnengaan. Wat niet geopenbaard is aan wijzen en verstandigen, is wél geopenbaard aan kinderen. De armzaligheid van 's mensen pogen en toch het doel bereiken. Dat is Plotinus vreemd. Hij was net als de Boeddha een verlossingsleraar, niet de Verlosser. De Boeddha wijst alleen maar de weg. Een mens moet zichzelf verlossen. Niemand kan dat vóór hem doen. Plotinus kent daarom ook geen schuld. Het is bij hem meer het Karma uit het Oosten, een ijzeren wet, genadeloos rechtvaardig. Beschikbaar, ja, voor iedereen, maar er zit geen haarbreed speling in. Je doet het of je doet het niet. Niemand trekt je uit de modder. Dit staat ver weg van de woorden van Jesaja ... nog vóór zij roepen zal ik hen antwoorden, nog vóór zij spreken zal ik hen verhoren.

Van de katholieke mis zou Plotinus helemaal niets begrijpen. Zij begint met de mens die erkent dat de afstand tot God bestaat, en dat hij er zelf schuldig aan is. Mea culpa zegt hij drie keer, maar tegen Wie, dat zou Plotinus niet verstaan. De katholieke mens erkent zijn schuld, wordt nog in datzelfde uur vergeven in een voor het verstand onbegrijpelijke spagaat van genade en ontmoet vervolgens zijn God, de Schepper van het heelal, voor Wie iedere knie zich buigen moet-, in eigen persoon. Als hij het in zijn tijd mee had gemaakt, zou Plotinus het af hebben gedaan als weer een nieuwe gril van die vermaledijde astrologen. Als hij wist dat het zo'n onverwoestbare hype zou worden, zou hij misschien toch eens zijn gaan nadenken. Misschien had hij toch ergens wat gemist. Wellicht zou hij de Joodse teksten ontdekken. Of Philo van Alexandrië had hem wat verder gebracht. Het Christendom noemt hij nooit in zijn teksten. Plotinus stierf een jaar of veertig vóór de slag bij de Milvische brug, toen het een vaste plaats kreeg in het Romeinse Rijk.

Of hij zou toch nog een extra dimensie vermoeden bij zijn oude leermeester, zijn geliefde Plato. Misschien zou hij beseffen dat zijn eigen denkwereld slechts de schaduw van de werkelijkheid was, zoals Plato voorspelde. Bij Plato ontbreekt de wil, Plato zegt niets over de wil ... zegt men later. Zou daar de schakelfout zitten? Er is een fantastisch denken, maar er is nog iets anders nodig. Je voelt het aankomen, maar het is er nog niet. Toen het echt doordrong in het Romeinse rijk, was het de genadeslag voor het Griekse denken dat een eeuw later definitief zijn zelfstandigheid verloor met de sluiting van de platoonse academie. Bij Plotinus voelt men al aan dat het zich een keer ten einde zal denken. Ondanks de grootsheid, ja, heiligheid,  is het een lamme eend. Dat zijn wereld kort na hem instortte moet iets te maken hebben met het verschil tussen Teresa van Avila en Plotinus, maar het kan dus niet alleen Jezus Christus zijn, want hetzelfde verschil zit er ook bij de groten uit de Islam. Preciezer geformuleerd moet men zeggen dat het niet datgene kan zijn wat de Christelijke traditie, te beginnen met Paulus, is gaan zeggen over Jezus. Immers de Koran heeft Jezus er enorm hoog op staan. En Plotinus zelf, trouwens, heeft net zo'n duidelijk aanwijsbare invloed gehad op de Islam als op het Christendom. Maar dat ene, waar we naar zoeken ontbreekt bij Plotinus, ook in zijn invloed op Islam, want dat ene, dat vinden we ook bij de Moslims.

Schuld, vergeving, Gods barmhartigheid. God die op een mens toe komt en hem nooit in de steek laat. Een volkskerk waar iedereen bij hoort, ook de zondaar. Je hoeft niet te houden van het alcoholisme maar wél van de alcoholist. Dat zijn slaaf op een even hoge plaats staat als hijzelf ondanks zijn ongeletterdheid en Plotinus aan hem dienstbaar zou moeten zijn. La diffidenza di se stesso e la confidenza in Dio ... het wantrouwen in jezelf en het vertrouwen op God ... van Lorenzo Scupoli. Dit denken is Plotinus vreemd. Dat zijn zaken waar Plotinus niet aan heeft gedacht. Ik denk dat hij van Thomas à Kempis grote ogen had opgezet, als hij hem had horen praten met zijn God. Of van Abu Hamid al-Ghazzali, die vreesde voor de ondergang van zijn ziel en het uitsprak met God in uren durende meditaties in de moskee van Damascus. Of misschien zou een virtuele ontmoeting met Teresa van Avila hem goed hebben gedaan, veronderstellend dat hij een vrouw serieus kon nemen. Waarschijnlijk kon hij dat niet, want het patriarchale denken bij ons komt van de Grieken, nauwelijks van de Joods-Arabische traditie, zoals vaak wordt gedacht. Teresa zou zeggen, een héél, héél bijzonder geleerde man, en een goed mens, veel beter dan ik, worm die ik ben. Maar hij maakt zich wél ontzettend druk. Ze zou niet inzien waar dat voor nodig was, want háár hele leven draaide om de liefdesaffaire met haar God en haar eigen falen Hem waardig te zijn en vervolgens de onuitsprekelijke verbazing dat Hij haar niet liet vallen. Hij hield van haar en daar is ze nooit meer bovenop gekomen. Geleerdheid is ontzettend belangrijk, zeker voor ons, domme vrouwen, zou Teresa zeggen, het tegenovergestelde bedoelend. En het is tenminste geen protestant of Moor, wier enig nut is dat je je door hen kunt laten onthoofden om martelaar te worden. En dat hij niet gered zou kunnen worden, omdat hij dacht zoals hij dacht, dat was voor haar trouwens ook ondenkbaar.

Bij Plotinus ontbreekt dus de liefde tussen hem en de persoonlijk God. Die kan nooit van de mens alleen komen, zelfs al gelooft hij wél in een persoonlijke God. De mens faalt er altijd in. Hij schiet altijd tekort. Het is altijd Adonis tegenover Assepoes. Het is een onoverbrugbare afstand tussen die twee geliefden. Het reiken naar elkaar, God en de mens, dat is het waar het leven om gaat, want als in de relatie tussen de mens en God niets gebeurt, komt er ook niets  terecht van de liefde tussen mens en mens. Slaat de vonk tussen God en mens over, dan brandt hij ook tussen mens en mens. En andersom is het ook waar. Is er iets tussen mensen zoals het van de begin van de tijd is bedoeld, dan is er ook iets tussen hen en God. Want de eerste twee geboden zijn immers gelijkwaardig. Men moet ze niet lezen als kale morele voorschriften, maar als een alomvattende diagnose van de totale menselijke conditie. Als het daar niet goed gaat komt niet alleen de moraal in het gedrang, maar alles. Er is niet alleen geen zin in het bestaan, maar zelfs geen denken en kennen, terwijl Plotinus juist zijn kennen nodig meende te hebben voor zijn redding. 

Plotinus heeft iets Japans, iets martiaals. Hij zou harakiri kunnen plegen, als het fout ging. Hij schermt met grote moed tegen allen die het niet met hem eens waren en hij kon dat ook heel goed. Het haatte zijn lijf, omdat hij het als een obstakel zag om zijn doel te bereiken. En hij zou er geen moeite mee hebben gehad er een zwaard doorheen te stoten, als hem dat aan de orde leek. Maar wat bij hem ontbreekt is het besef van zijn eigen kleinheid. Daarom is er ook geen humor bij hem en bij Teresa van Avila wél. Het is een man en dan ook nog eentje zonder humor. Dan is het echt een handicap-race. Wie neemt er zichzelf nou serieus in het aangezicht van de Almachtige? Een Don Quichote, een man van la Mancha .... zou ze kunnen zeggen. Of zoals Teresa Sint Jan van het Kruis noemde ... mijn kleine Seneca. En dat was verre van een compliment.

De ingewikkelde redeneringen van Plotinus hebben aan de ene kant iets sombers, anderzijds als je het -met Teresa van Avila- wil zien, ook iets komisch. Hij neemt zichzelf bloedserieus, omdat hij denkt dat hij het op eigen kracht moet halen en dan is het immers een gevecht op leven en dood, dat bovendien nog altijd verloren wordt ook. Het leven van de Christen is ook een gevecht op leven dood, maar dat wordt altijd gewonnen door de mens van goede wil, een belangrijk verschil. Al-Ghazzali weet dat ook en hij schrijft na de crisis in zijn leven zijn fantastisch teksten over berouw. De mens kan altijd terugkeren naar zijn God. En het verlangen naar die terugkeer alleen al is vergeving van zonden. Plotinus snapt niet wat berouw is, omdat hij de persoonlijke God niet kent. Daarom is het ook een denken zonder tranen. De Griek kent wél de tragedie, het gevecht op leven en dood, dat verloren wordt, en voorgoed. Maar er zijn geen tranen. En dat is ook een fatal error.

Gisteren zaten we in het cafeetje naast het klooster, want dat heeft geen koffie tussendoor. Buiten was het donker na een regenbui en de meeuwen krijsten om de straatoude kerk heen, nog luider dan anders, een echte Romeinse novemberdag, en in het fel verlichte, kleurrijke café rook het naar natte jassen. De pater bracht Miguel de Unamuno (1864-1936) ter sprake, de rector van de universiteit van Salamanca. Die zei ... je kunt geen Christen zijn zonder de agonía te kennen. Agonia wordt gebruikt voor doodsstrijd, maar ook bij Jezus in Gethsemané, toen hij zich voorbereidde op zijn ultieme daad van liefde. Deze laatste is ook de betekenis die Miguel de Unamuno bedoelt, en dan voor de mens in de agonia van zijn bestaan. De mens beseft dat hij zijn geliefde mis heeft gelopen. En met die geliefde ontvliedt hem de zin van zijn bestaan em zijn plaats in de schepping, ook die na zijn lijfelijke dood. Dat is toch liefdesverdriet in zijn meest ontzagwekkende vorm. Het is de agonía van de Christen, die Søren Kierkegaard zo heeft gevoeld. Zij stelt de tragedie van de Grieken ver in de schaduw. Maar het verschil is dat er voor de tragedie van de Griek geen hoop is, voor de agonia van de Christen wél. Daarom was het gesprek in het café overigens evengoed vrolijk. Nee, de agonia van de Christen is niets om somber over te zijn. Zij geeft licht in de ziel, ook als het buiten en overal elders regent. En daar is Plotinus nooit achter gekomen.

Plotinus kende dus de humor niet, de agonía niet en ook de liefde niet. Toevallig ben ik ook de pas verschenen biografie van Gerard Reve door Nop Maas aan het lezen. Als je Gerard Reve moet omschrijven kom je al een heel eind als je zegt .. hij kende de humor, de agonia en de liefde. Daar gaat zijn leven over. Daarom moet er hoogst noodzakelijk een biografie over hem worden geschreven. Nop Maas gebruikt als ondertitel van zijn werk ... kroniek van een schuldig leven ... voorlopig in het midden latend of Gerard in zijn worsteling op leven en dood aan de schuldige kant is gebleven of dat hij heeft gezien waar het in het leven om gaat. Het is hoogst onwaarschijnlijk dat hij hem nog gaat verwijten dat hij te weinig of te gebrekkig heeft gedacht.

Bij Plotinus ontbreken deze bewegingen in de mens of ze worden gezien als storende oprispingen van het lijf. Zoals bij Plato ook een filosofie over de wil ontbreekt. In het menselijk vermogen van de wil vinden echter juist deze bewegingen plaats en in het schepsel zijn ze te voelen. Plotinus was dus een martiaal en elitair denker, hetzelfde wat de Boeddha verweten is. De Neo-platoon en de Stoïcijn waren heroïsche mensen die hun uiterste best deden en altijd aan zichzelf bleven werken, terwijl een normaal mens toch ófwel om zichzelf moet lachen, ófwel om zichzelf moet huilen. En dat doen ze allebei niet. Plotinus was ook maar een arme zondaar, zoals al-Ghazzali en Teresa van zichzelf hebben gezegd en zoals wij allen zijn. Het zou hem echter verbaasd hebben als in zo'n termen over hem gesproken werd. En de verwondering zou nog toenemen als men hem zou zeggen dat juist in dit inzicht zijn zijn redding was gelegen.

De mensen rondom Plotinus hielden van hem. Hij heeft een goed mens proberen te zijn. Teresa van Avila zou bij dit slot heel genereus en kortweg hebben gezegd. Maar dan is hij dus ook gered. Er is overal genade. Men voelt aan dat Plotinus een geliefde Gods was, een heilige ziel, zoals zijn lijkredenaar zong, zichzelf begeleidend op de lier met het gouden plectrum, en dat God zelf, Wiens wegen ondoorgrondelijk zijn, ook in zijn bestaan is binnengedrongen, al is een volledige theologie niet in zijn boeken doorgedrongen. Zoals men geneigd is te zeggen ... potverdorie, er is genade in het Boeddhisme, zo voelt men ook aan ... potverdorie, er is genade bij Plotinus en Plato.

We hadden in ons dorp een pater die een liefdadigheidswerk had op Sri Lanka. Het contact werd onderhouden door een Boeddhistische monnik die ik ook eens op bezoek heb gehad in zijn oranje gewaad. Het karma en het ontbreken van de Verlosser in het Boeddhisme, dat was het sprengende Punkt tussen die twee. Ze gingen wel eens wandelen in die tuin van Eden, die Sri Lanka is. En dan zei de monnik over de ellende in de wereld. Ja, dat is nu eenmaal het karma. Hij, lui in zijn oranje lap liggend aan de oever van de een of de andere beek. En dan was de pater uitgepraat. Toch begrepen ze elkaar zonder woorden en de theologie stond niet tussen hen in. Zo zal het ook wel met Plotinus zijn geweest.

Voor Teresa van Avila is het denken bijzaak. Abu-Hamid al-Ghazzali, de gevierde professor uit Baghdad, kwam er ineens achter dat hij zich met al zijn denken de hel in dacht en dat stortte hem in de grootste crisis van zijn leven, zijn agonia. Zover is Plotinus nooit gekomen, althans niet in zijn Enneaden. Zijn denken is een belangrijk dienstwerk, bijna net zo belangrijk als het verzorgen van de bloemen in de kerk, maar zo heeft hij het zelf nooit gezien. Zijn denken was voor hem het instrument om zichzelf te redden. Hoewel, toch wordt van hem gezegd dat zijn denken devotioneel van aard was, zag ik ergens. Dat is inderdaad misschien de sleutel. Al dat geploeter van hem, het was misschien zijn vorm van gebed tot de persoonlijke God. En je weet natuurlijk toch niet wat hij allemaal nog heeft meegemaakt toen hij op sterfbed lag, lijdend aan kwaadaardige difterie met zweren. Een ziektebeeld dat ik overigens niet ken, maar het lijkt me niet zo prettig. Zijn leerlingen bleven in Rome bij hem weg toen de kwaal zich openbaarde. Zijn stem werd zwakker, schrijft Porfyrius van Tyrus, en misschien heeft hij ook nog wel wat gestonken door die zweren. Toen is Plotinus naar het platteland vertrokken, waar hij gestorven is. Wie weet wat hij nog ervaren heeft van de persoonlijke God die zelfs in je zwartste momenten op de rand van het bed naast je zit en je wil helpen met alle cherubijnen en serafijnen, die Hem ten dienste staan.

 

 

Afbeelding: Plotinus door Rafaël ( Stanza della Segnatura, Vaticaan)