Column: Wetenschap is mythe en geloof is weten

bossen van Subiaco waar Benedictus jarenlang heeft geleefdDe vorige keer heb ik mij laten ontvallen, dat ik qua denken zowat in de Middeleeuwen ben blijven steken. Ik zou daarmee een hopeloos anachronisme kunnen zijn voor mijzelf en mijn omgeving, iemand die het droeve lot beschoren is nooit begrepen te worden en, wat erger is, zichzelf nooit te begrijpen. Toch gloort er juist in de eigentijdse filosofie hoop voor mensen zoals ik.
Thuis heb ik een medische encyclopedie staan uit de de dertiger jaren. Twaalf dikke delen. Hij is Duits en gründlich, doortrokken van de natuurwetenschap. De mensen die ze schreven zagen zichzelf op een tijdlijn van vooruitgang. Ze hadden nog niet alles ontdekt, maar wat ze wisten was zeker waar en in de toekomst zou alles worden opgelost. Als men er stukken uit leest, valt echter op dat de inhoud niet een slap aftreksel is van wat we nu weten, maar totaal anders. Hij lijkt wel over marsmannetjes te gaan. Een dokter, die de twaalf delen uit had en begreep, zou geen modern spreekuur overleven en zijn patiënten ook niet.
Enkele weken terug was er het programma Radar op de televisie en daarin hadden wetenschappers zich zeer negatief uitgelaten over cholesterolverlagende middelen. Wat is uw commentaar, want U hebt ze tenslotte voorgeschreven ... vraagt een patiënt. Nu moet je in mijn vak kunnen improviseren om te overleven. En televisie kijk ik niet veel, zeker niet naar medische programma’s. Dus ik zeg ... de maffia heeft U aan deze middelen geholpen; vertrouw er maar op, dat hij U er ook weer af zal helpen.
Want de vraag deed me denken aan die keer, dat ik door de sloppenwijk Crossroads in Kaapstad reed, waar alleen straatarme negers wonen. Tussen het vuil en de krotten stond een oude, verveloze caravan met met een bord erop cholesterol testing. En aan een andere keer, toen ik op een rondleiding was door het regeringsgebouw van Australië in Canberra met iemand die daar werkte. In de uiterst sjieke gang, waar het kantoor van de minister-president aan lag, stond het er ook, op het rode tapijt, het bordje met cholesterol testing. Iedereen op de hele wereld had het over cholesterol.
Dan heb je de keus uit twee gevolgtrekkingen. Je hebt met een mythisch verschijnsel te doen of met de maffia. Nu is de maffia natuurlijk filosofisch prima in orde. Hij is alleen slecht. De mensen begrijpen het en je weet wat je eraan hebt. De patiënt was dan ook blij met mijn antwoord, want zoiets had men ook al gesuggereerd in het programma.
Het is echter niet de juiste gevolgtrekking. De werkelijkheid is ernstiger. Zo’n hype in de hele wereld over cholesterol is een mythisch verschijnsel, onderhevig aan alle wetten van de mythe. De mensen zijn zich van de mythe niet bewust. De mythe geeft een absoluut en onontkoombaar idee van de werkelijkheid, zoals ze is, en iedereen gelooft erin. Iedereen denkt, dat hij het over de waarheid zélf heeft, terwijl het alleen maar over de mythe gaat. En die kan morgen anders zijn. Mensen die vertrouwd zijn met eigentijdse stromingen in de filosofie zullen wel voelen, waar ik heen wil, want voor de mythetheorie, de postmoderne filosofie en de post-structuralistische taalfilosofie is dit gesneden koek. De uitbreiding, die ik echter wil maken is die naar de wetenschap. Ook de wetenschap is onderhevig aan de wetten van de mythe. Meer precies, zij is een onderdeel en onderscheidend kenmerk van de westerse mythe.
Mythe heeft niets met objectieve waarheid te maken, want die bestaat niet, zo zeggen de post-moderne filosofen. Als wetenschap dus onderdeel van de westerse mythe is, bestaat er ook geen objectieve waarheid in de wetenschap. Wetenschap heeft binnen de mythe wél een status van waarheid. Als met een waas van wetenschap over Nordic walking geschreven wordt, lopen er binnen de kortste keren weer velen met een bloedserieus gezicht op vier benen. Iedere mythe denkt, dat zij de waarheid kent. Dansen om een dode kip, het lezen van de lever, het heeft in andere mythes een status van absolute waarheid, zoals de wetenschap die heeft in de westerse mythe.
Volgens de postmoderne filosofie valt er echter niets te weten. Daar voegen de post-structuralistische taalfilosofen nog aan toe, dat er geen absolute betekenis bestaat in taal. Taal is een volstrekt willekeurig stel naamkaartjes, die geen relatie van waarheid hebben met datgene waar ze op geplakt zijn. In de wetenschap lijkt dit te worden bevestigd, als je bijvoorbeeld ziet hoe snel alles verandert. Objectieve waarheid zou zich toch zo snel niet wijzigen. Als je in mijn vak twee jaar niet werkt, ben je hopeloos verouderd. Dan kan het niet veel te maken hebben met objectieve waarheid. Het is mythe. Op de talloze bezwaren, die op het eerste gezicht tegen deze stelling in te brengen zijn ga ik nu niet in, maar het is akelig om mee te maken hoe weinig van zo’n bezwaren overblijft in de geoefende handen van een eigentijdse filosoof.
Iets dergelijks vind je ook terug in het boek van de paus over Jezus van Nazareth. Hij heeft een mooie tekst geschreven. Het is een getuigenis van een gelovige en geleerde mens. En als je hem leest met de bijbel in de hand, de citaten eruit opzoekend en eromheen lezend, heb je een schitterende ontmoeting met Jezus.
Het gaat echter ook over wetenschappelijke theologie. Soms zie je dan dezelfde knoop als in die Duitse encyclopedie en met het cholesterol. Een voorbeeld is Rudolf Bultmann. Deze theoloog is beroemd om zijn studie van het evangelie van Johannes, gepubliceerd in 1941. De paus doet hem af met een pennenstreek, omdat hij het evangelie gnostisch heeft genoemd en te weinig aandacht gaf aan de historische Jezus.
Rudolf Bultmann was een man van zijn tijd en hij vond met zijn wetenschap uiteindelijk, wat toen mythe was. En toch beschouwde hij het als wetenschappelijk en voorgoed vaststaand. Over een andere theoloog zegt de paus, dat de wetenschap blijkbaar niet voor vergissingen behoedt. Dat is dus niet de hele verklaring. De wetenschap zelf is het slachtoffer van mythe, ook de wetenschap van de paus zelf. In zijn boek vraagt men zich tenslotte af, waar er nog ergens de wetenschappelijk theologie zit. Zij is uiteindelijk afwezig en wat overblijft is een getuigenis van een gelovige mens. Daarom is het boek ook waardevol en ontloopt het grotendeels de mythekritiek. Wetenschap draagt niets bij en iemand die een beetje op de hoogte is van de strijdpunten weet, dat zij meer gaan over de mythe van de theologen zelf dan over Jezus. De poststructuralistische taalfilosofie stelt dat er niets staat in het evangelie van Sint Jan behalve wat de toevallige lezer erin leest. De moderne theologie, die boven op het evangelie is gezet, is een zeepbel, die iedere tien jaar van kleur verandert. De bellen hebben zich ook al losgemaakt van het ringetje, waardoor ze geblazen zijn. De moderne theologie over Sint Jan heeft geen relatie van waarheid meer met het onderwerp. So far so good, daar kan een mens mee verder, zou de Oosterling zeggen. Wij in het Westen schrikken hier een beetje van.
Volgens de postmoderne filosofie is er dus niets waar en zeker. Alles is gebroken en gefragmenteerd. We zitten op de mesthoop van het ik. De stelling die ik hieraan toevoeg is dus, dat de postmoderne filosofie de wetenschap met geen mogelijkheid hiervan kan uitsluiten, en dan zit zij met nog meer scherven dan zij had gedacht. Als je er een puinhoop van maakt, doe het dan ook goed.
Dit klinkt allemaal somber en nihilistisch, maar het is het toch niet. Want als de mens het zelf weten weer achter zich laat, is er ook weer plaats voor het echte weten. En dat is de volgende uitbreiding, die de postmoderne filosofie niet maakt, namelijk, dat zij de deur weer wagenwijd open zet voor religie. Als je de enge, westerse rede laat varen, kan er weer veel, wat lange tijd niet heeft gekund. De postmoderne filosofie zal onder ogen moeten zien, dat aan het eindpunt van de glijbaan waar zij zich met zoveel koenheid op heeft begeven, zich al halverwege bevindt en waarvan er geen weg terug meer is, niet het misschien lang verhoopte niets opdoemt, maar weer onze moeder de heilige kerk. Voor menigeen wellicht een spookbeeld van ontzetting, maar het is al te laat. Het spook van het geloof staat voor de filosoof van heden ten dage weer op iedere straathoek te gluren.
Edith Stein was een briljant filosoof uit de school van de fenomenologie. Zij werkte samen met Edmund Husserl. Zij was Joods en werd katholiek. Zij trad in in het klooster van de karmelietessen hier in de buurt in Echt. In Auschwitz is zij vergast en Johannes Paulus II heeft haar heilig verklaard. Edith Stein, een wetenschapper dus, kreeg een keer de autobiografie van Teresa van Avila in handen en nadat ze die in een adem uit had gelezen, sloeg ze hem dicht en zei dit is de waarheid. En toen is haar levensloop verder gelopen, zoals hij gelopen is. Teresa van Avila was geen wetenschapper. Zij vond zichzelf bijzonder dom en dat was ze ook. Zij zei ik geloof alles wat de kerk zegt tot de laatste letter om er vervolgens geen woord meer aan vuil te maken. Het is vrijwel zeker dat ze er geen flauw idee van had van wat de kerk allemaal zei. Haar wereldbeeld was uiterst simpel. Het geloof en de kerk waren de waarheid en de moren en de protestanten deugden niet. Zij gingen allemaal naar de hel. Toch zei Edith Stein juist van haar, na alles wat ze had geleerd ... dit is de waarheid.
Benedictus zat jaren in de bossen van Subiaco. Het is inderdaad een inspirerende plek, ook nu nog. Hij zal niet veel aan bibliotheek bij zich hebben gehad in die grot behalve de Schrift. Toch heeft hij daar de waarheid gezien. In tranen zonder twijfel, want die moeten er bij te pas komen. Daarmee is dit ook het blije voorland van het ik in het westen, dat zit met een fenomenaal verlies aan betekenis. Religie is de enige weg om uit de kerker van de mythe uit te breken. Het probleemgevoel is er bij veel mensen al wel. Het gaat nu alleen nog om de beslissende stap. En daar kunnen we alleen maar voor bidden.
Inderdaad ben ik in de Middeleeuwen blijven steken. Het recept tegen deze aandoening is om alles over te slaan tot aan de post-moderne filosoof en hem in zijn analyse innig te omarmen. Vervolgens doet men twee aanvullingen. Enerzijds moet men aanvaarden, dat wetenschap een onderdeel is van de westerse mythe. Dit besef drijft de filosofen de studeerkamer uit de straat op. Het maakt het debat wat bloederiger en dat is nodig. Anderzijds is religie dan de oplossing uit het poststructuralistische dilemma van verlies aan betekenis. Op deze manier ben je je tijd dan wél vooruit en zit je daar dan ook weer mee te kijken.

Wim Beurskens